Toegelicht

Mag een journalist opnames van een verborgen camera gebruiken?

30 maart 2015 - Laatste update 1 juni 2018

Mag een journalist opnames met een verborgen camera uitzenden tegen de wil van de gefilmde persoon? Hoe verhoudt het recht bescherming van het privéleven van de gefilmde zich dan tot het recht op vrijheid van meningsuiting van de journalist? Over die vraag boog het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zich in de zaak Haldimann e.a. tegen Zwitserland. Het EHRM concludeert dat Zwitserland het recht op vrijheid van meningsuiting van deze journalisten schond door hen te veroordelen.

Mag een journalist opnames van een verborgen camera gebruiken?

Wat speelt er?

In Zwitserland bestaat algemene ontevredenheid over de werkwijze van verzekeringsagenten, die als tussenpersoon fungeren bij het afsluiten van levensverzekeringen. Vier journalisten besluiten hier een documentaire over te maken. Daarvoor nemen ze gesprekken op met een verborgen camera tussen klanten en verzekeringsagenten. Op 26 februari 2003 vindt een gesprek plaats waarbij een journalist zich voordoet als klant. Het gesprek wordt door twee verborgen camera’s opgenomen.Op de uitgezonden beelden is de geïnterviewde onherkenbaar in beeld gebracht en is zijn stem vervormd. De journalisten worden aangeklaagd voor het opnemen van een gesprek zonder toestemming, wat verboden is in Zwitserland. De Zwitserse rechter veroordeelt de journalisten tot een geldboete. De journalisten zijn het hier niet mee eens en procederen door tot aan het EHRM in Straatsburg.

Wat oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?

Het EHRM bekijkt of de omstandigheden van dit geval de veroordeling van de journalisten rechtvaardigen. Het gaat om een bijdrage aan een debat van algemeen belang, aldus het Hof. Daarbij overweegt het dat de reportage niet over deze ene persoon ging, maar over de branche waarin hij werkzaam is. Ook vindt het EHRM het relevant dat de partijen het waarheidsgehalte van de reportage niet in twijfel trekken. Van doorslaggevend belang acht het EHRM het feit dat het gezicht en de stem van de verzekeringsagent onherkenbaar waren en dat hij niet gefilmd is op zijn eigen kantoor. Daardoor is de inbreuk volgens het Hof niet ernstig genoeg om zwaarder te wegen dan het algemene belang om informatie over dit onderwerp van algemeen belang te krijgen. Ten slotte merkt het EHRM op dat de straf die de journalisten kregen weliswaar vrij licht was (geldboete), maar dat dit media nog altijd kan ontmoedigen om kritisch te zijn. Het EHRM concludeert dat Zwitserland het recht op vrijheid van meningsuiting van deze journalisten schond door hen te veroordelen.

Wat heeft dit met mensenrechten te maken?

Er zijn hier twee mensenrechten in het geding, die kunnen botsen: het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) en het recht op bescherming van het privéleven (artikel 8 EVRM). Het EHRM benoemt zes criteria aan de hand waarvan de balans tussen deze twee rechten bepaald kan worden: de bijdrage aan een debat van algemeen belang; de bekendheid van de persoon die het betreft en het onderwerp van de reportage; het eerdere gedrag van de persoon; de methode van informatievergaring; de waarheidsgetrouwheid, inhoud, vorm en gevolgen van de reportage; en de zwaarte van de straf. Per geval zijn deze zes criteria nagelopen om te kunnen beslissen welk recht zwaarder weegt.

Wat schrijven de media hierover?

Datum

Titel artikel Bron
24-2-2015 Persbericht EHRM UDOC

Wil je iets kwijt over dit onderwerp?