De automatische verhogingen van verkeersboetes zijn onevenredig en in strijd met mensenrechten wanneer iemand niet kan betalen door een gebrek aan draagkracht. Dit geldt ook wanneer iemand anderszins geen verwijt kan worden gemaakt voor het niet op tijd betalen van de boete. Dat schrijft advocaat-generaal (AG) Snijders in zijn advies aan de Hoge Raad. Mensen zouden een verhoging van hun verkeersboete daarom door een rechter moeten kunnen laten beoordelen. De conclusie sluit aan bij de zorgen die het College voor de Rechten van de Mens eerder uitte over de gevolgen van het huidige boetesysteem voor mensen in kwetsbare financiële posities.

Beeld: © ANP / Berlinda van Dam

Waarom ligt deze zaak bij de Hoge Raad?

Wie een verkeersboete niet op tijd betaalt, krijgt op grond van de huidige wet automatisch een verhoging. De eerste verhoging bedraagt 50 procent van de oorspronkelijke boete. Daarna volgt een verhoging van 100 procent. Hierdoor kan een boete uiteindelijk oplopen tot drie keer het oorspronkelijke bedrag.

In deze zaak kreeg een man in één jaar tijd zeven verkeersboetes. De oorspronkelijke boetes bedroegen samen 1.029 euro. Omdat hij de boetes - waarschijnlijk door zijn financiële situatie - niet op tijd betaalde, liep zijn schuld bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) op tot 3.087 euro. Met steun van een belangenorganisatie stapte hij naar de rechter. Hij stelde dat de verhogingen onevenredig en in strijd met mensenrechten zijn.  

De rechtbank Den Haag stelde hierover vervolgens prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De centrale vraag is: zijn de automatische verhogingen in strijd met het recht op een eerlijk proces (artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)) en het eigendomsrecht (artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM)?

Wat adviseert de advocaat-generaal?

In zijn advies aan de Hoge Raad legt de AG uit waarom de verhogingen van verkeersboetes niet alleen een financiële maatregel zijn, maar ook een vorm van bestraffing. Daarom moeten zij voldoen aan de eisen van het recht op een eerlijk proces. Dit betekent dat een rechter moet kunnen beoordelen of een verhoging in een specifieke situatie evenredig is. De AG stelt dat de verhogingen niet evenredig zijn wanneer iemand deze door een gebrek aan financiële middelen niet kan dragen of wanneer iemand anderszins geen verwijt treft dat de boete niet op tijd is betaald. In zulke situaties kan een automatische verhoging volgens de AG te zwaar uitpakken.

De huidige mogelijkheden om een verhoging te laten beoordelen zijn volgens de AG onvoldoende. Wie het niet eens is met een verhoging, moet nu een aparte procedure starten bij de civiele rechter. Volgens de AG is deze route voor dit soort zaken niet geschikt, onder meer omdat daaraan kosten verbonden zijn. Voor de verkeersboete zelf bestaat wel een laagdrempelige en kosteloze mogelijkheid om deze voor beoordeling aan een rechter voor te leggen. De AG adviseert de Hoge Raad daarom om mensen dezelfde laagdrempelige mogelijkheid te bieden om tegen een verhoging in beroep te gaan. Zij moeten naar zijn mening in staat zijn om een verhoging op een laagdrempelige en kosteloze manier door een rechter te laten beoordelen.

In zijn advies betoogt de AG ook dat de verhogingen in bepaalde gevallen ook in strijd zijn met het eigendomsrecht. De verhogingen zijn in strijd met dit recht wanneer iemand de boete door een gebrek aan draagkracht redelijkerwijs niet kan betalen, of wanneer vaststaat dat de iemand anderszins geen verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig betalen van de boete. De AG stelt voor dit probleem op te lossen door te beslissen dat de staat verplicht is af te zien van de inning van de verhogingen in deze gevallen.

Waarom is deze zaak belangrijk?

Deze zaak raakt een groter maatschappelijk probleem. Jaarlijks worden miljoenen verkeersboetes opgelegd. In ongeveer 15 procent van de gevallen wordt niet op tijd betaald en volgt een verhoging. Dat gebeurt deels omdat mensen de financiële ruimte niet hebben om de boete te betalen.

De financiële gevolgen kunnen groot zijn. Een oorspronkelijke boete kan door automatische verhogingen snel oplopen, waardoor mensen verder in financiële problemen kunnen komen. Ook politiek is er aandacht voor deze problematiek. De Tweede Kamer nam in november 2024 een motie aan om de verhogingen te verlagen. Het kabinet voerde deze motie niet uit, omdat het geen financiële ruimte zag om de lagere inkomsten door het verlagen van de verhogingen op te vangen.

Aansluiting bij eerdere zorgen van het College

Het College heeft eerder in deze procedure schriftelijke opmerkingen ingediend bij de Hoge Raad en daarbij gewezen op de gevolgen van het huidige boetesysteem voor mensen in kwetsbare financiële posities. Automatische verhogingen kunnen leiden tot oplopende schulden. Juist mensen die al moeite hebben om rond te komen, kunnen daardoor extra hard worden geraakt. De conclusie van de AG sluit op belangrijke punten aan bij deze zorgen.

In zijn conclusie gaat de AG ook kort in op de rol van het College in deze procedure. De Hoge Raad heeft het College in de gelegenheid gesteld om schriftelijke inbreng te doen. De AG is het daarmee eens en geeft een aantal argumenten waarom het College in zulke gevallen inbreng moet kunnen doen.

Hoe gaat het nu verder?

De conclusie van de AG is een belangrijk advies aan de Hoge Raad. De Hoge Raad is niet verplicht het advies te volgen, maar doet dit in de praktijk regelmatig. Naar verwachting doet de Hoge Raad in de komende maanden uitspraak. Omdat het om een prejudiciële procedure gaat, verwijst de Hoge Raad de zaak daarna terug naar de rechtbank. De rechtbank doet vervolgens uitspraak en neemt daarbij het oordeel van de Hoge Raad in acht.