Mensen met een beperking moeten in vrijheid relaties aan kunnen gaan, waaronder intieme en seksuele relaties. Maar mensen met een beperking ervaren verschillende knelpunten op dit gebied. Wat zegt het VN-verdrag hierover? Welke knelpunten spelen er en hoe kunnen deze worden opgelost?
Beeld: © Unsplash/Roman Kraft
Welke knelpunten ervaren mensen met een beperking?
Het aangaan van relaties en het beleven van intimiteit en seksualiteit is voor mensen met een beperking lang niet altijd vanzelfsprekend. Dat concludeert het College op basis van een verkenning die is uitgevoerd in 2024 door onderzoekers van Disability Studies in Nederland. Zo hebben mensen met een beperking vaak te maken met ontoegankelijke seksuele en reproductieve voorlichting en zorg. Dit kan bijvoorbeeld gaan om informatie die niet voldoende is toegespitst op de situatie van mensen met een beperking. Maar instellingen als de GGD of (huis)artsen hebben ook niet altijd voldoende kennis over de situaties van mensen met een beperking. Daardoor worden zij niet altijd goed geholpen.
“Een vrouw met cerebrale parese komt bij een gynaecoloog in verband met haar zwangerschap. Deze gynaecoloog vertelde dat zij de allereerste vrouw is in Nederland met een cerebrale parese die een kind gaat krijgen. Dit is niet waar, maar het betekent dat de arts dus blijkbaar geen informatie heeft gezocht of gevonden over de bevalling bij vrouwen met een cerebrale parese” (bron: interne verkenning van het College)
Een ander probleem is dat er nog een taboe op dit onderwerp rust. Hierdoor hebben mensen met een beperking soms het gevoel dat ze niet in volledige vrijheid keuzes kunnen maken over relaties, intimiteit en seksualiteit. Sommige mensen met een beperking hebben hierdoor ook last van een negatief zelfbeeld.
Binnen zorginstellingen ervaren mensen met een beperking specifieke knelpunten. Zo kunnen sommige mensen niet altijd makkelijk een relatie beginnen of seksuele contacten aangaan, bijvoorbeeld door een ernstige, meervoudige beperking. Dit terwijl zij wel degelijk gevoelens en verlangens ervaren. Zorgpersoneel zou hen hierbij moeten ondersteunen, bijvoorbeeld door te kijken wat er wél kan. Andere problemen die naar voren komen zijn het gebrek aan privacy en een veilige ruimte, en zorgpersoneel met weinig kennis over intimiteit en het hebben van een beperking.
“Ik vind het heel lastig om [in mijn woongroep] een date te ontvangen. Iedereen die hier woont ziet dat dan. [...] Ik voel me er niet goed bij als ik dat doe in dit gebouw. Niemand hier heeft het over seksualiteit” (bron: Rutgers: expertisecentrum seksualiteit et al., seks en het suikerspingevoel, 2022. P. 22)
Alhoewel deze knelpunten voor alle mensen met een beperking gelden, ziet het College dat ze voor vrouwen en meisjes een groot probleem vormen. Vrouwen en meisjes hebben bijvoorbeeld nog vaker dan mannen met vooroordelen te maken. Zij worden bijvoorbeeld vaker dan mannen met een beperking gezien als aseksueel of juist hyperseksueel.
Wat houdt de vrijheid om intieme en seksuele relaties aan te gaan, in?
Artikel 23 van het VN-verdrag handicap gaat over het recht op bescherming van het gezinsleven. Een belangrijk onderdeel hiervan is dat mensen met een beperking, net als ieder ander, het recht hebben om in vrijheid betekenisvolle, intieme en seksuele relaties aan te gaan. In de praktijk betekent dit onder andere dat je de vrije keuze hebt om een gezin te stichten. En dat je passende en toegankelijke seksuele voorlichting kunt krijgen.
Autonomie is een van de grondbeginselen van het verdrag. Dit houdt in dat mensen met een beperking eigen keuzes kunnen maken. In combinatie met artikel 23 betekent dit dat zij zelf mogen bepalen of ze een relatie willen, hoe ze omgaan met intimiteit en seksualiteit en hoe zij hun eigen leven willen invullen. Ook hebben mensen met een beperking het recht om keuzes te maken over hun eigen lichaam. Het enkele feit dat iemand een beperking heeft, is geen rechtvaardiging voor het beperken van deze vrijheid.
Thema ontbreekt in huidig beleid van de overheid
De overheid heeft een beleidsvisie intimiteit en seksualiteit voor mensen met een beperking opgesteld. Dat is een goede ontwikkeling, maar deze visie is alleen gericht op intimiteit en seksualiteit binnen de gehandicaptenzorg. Terwijl de knelpunten voor meer mensen met een beperking gelden.
In de onlangs verschenen ‘Werkagenda VN-verdrag handicap 2025-2030’ bij de Nationale strategie voor de implementatie van het VN-verdrag handicap komen artikel 23 en de beleidsvisie intimiteit en seksualiteit niet aan bod. Relatievorming en seksualiteit van mensen met een beperking wordt in de werkagenda alleen genoemd in relatie tot veiligheid en het voorkomen van grensoverschrijdend gedrag. Het risico van deze focus op veiligheid is dat er te weinig aandacht is voor autonomie en de mogelijkheid om intieme en seksuele relaties aan te gaan. Terwijl het VN-verdrag handicap zegt dat beide aspecten gewaarborgd moeten zijn. Zowel veiligheid, als keuzevrijheid. Pas dan kunnen mensen met een beperking zelf keuzes maken over deze persoonlijke onderwerpen en volledig gebruik maken van hun rechten.
Het VN-comité, de internationale toezichthouder op het verdrag, heeft Nederland aanbevolen om een strategie te ontwikkelen die is gericht op de volledige uitvoering van alle onderdelen van het verdrag. De uitwerking van artikel 23 hoort dan ook thuis in de werkagenda en de nationale strategie.
Hoe nu verder?
Op 9 september 2025 vindt het commissiedebat Gehandicaptenbeleid plaats. Tijdens dit debat wordt onder andere de werkagenda behandeld. Het College heeft een aantal zorgpunten over de werkagenda met de Tweede Kamer gedeeld. Een van de zorgpunten is dat een duidelijk monitoringsysteem ontbreekt op basis van alle verdragsverplichtingen en de aanbevelingen van het VN-comité. De overheid heeft de taak om duidelijk te maken hoe wordt voldaan aan de verschillende (onderdelen van de) artikelen van het verdrag, op welke termijn dit gebeurt en met welk resultaat. Dit geldt ook voor de verplichtingen ten aanzien van artikel 23 en de specifieke aanbevelingen van het VN-comité ten aanzien van het recht op gezinsleven. Zo zegt het comité bijvoorbeeld dat de overheid meer moet inzetten op goede seksuele voorlichting voor mensen met een beperking.
Er ligt een toezegging van de staatssecretaris om bij de werkagenda een plan mee te sturen over hoe en wanneer aan de slag te gaan met alle aanbevelingen van het comité. Dit plan ontbreekt vooralsnog. Het College zal er nadrukkelijk op toezien dat dit plan er komt en dat er een goed monitoringssysteem wordt opgezet. Het is van belang dat dit systeem het verdrag en de aanbevelingen van het VN-comité als basis heeft. Anders wordt het onvoldoende duidelijk of de situatie voor mensen met een beperking echt in lijn is gebracht met het VN-verdrag handicap, waaronder op het gebied van het aangaan van relaties en het beleven van intimiteit en seksualiteit.