Het College voor de Rechten van de Mens verwelkomt de steun die de 46 lidstaten van de Raad van Europa vandaag – opnieuw – hebben uitgesproken voor het Europese systeem van bescherming van mensenrechten. De politieke verklaring die in Chişinău is aangenomen, vormt een belangrijke steun in de rug van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (Political declaration - Council of Europe). 

Beeld: © Lex van Lieshout / ANP Foto

Juist nu de internationale rechtsorde zo onder druk staat, is het cruciaal dat de lidstaten zich unaniem blijven scharen achter het belang van mensenrechten, rechtsstaat en democratie. Het College juicht toe dat de lidstaten de centrale rol van het Hof in Straatsburg als toezichthouder op de naleving van het Verdrag blijven bevestigen, en dat zij volmondig hun eigen verantwoordelijkheid erkennen om de rechten en vrijheden van het Verdrag juist ook op nationaal niveau effectief te beschermen. 

Migratie en mensenrechtenverplichtingen

Op het terrein van migratie, dat de aanleiding voor de verklaring vormde, herbevestigen de lidstaten een aantal centrale punten. Natuurlijk hebben staten het recht om een effectief migratiebeleid te voeren, maar daarbij moeten zij zich wel houden aan de verplichtingen die zij in het kader van het EVRM zijn aangegaan. Iedereen – en dat geldt dus ook voor migranten – maakt aanspraak op bescherming van zijn of haar rechten. In dit verband verwijst de Verklaring naar het verbod van discriminatie (artikel 14 EVRM).  

De hoekstenen van de rechtspraak op het terrein van migratie zijn en blijven het verbod van foltering (art. 3 EVRM), en het recht op respect voor privé- en gezinsleven (art. 8 EVRM). De lidstaten bevestigen ook het belang van effectieve rechtsbescherming (art. 13 EVRM). Staten worden opgeroepen om voldoende middelen ter beschikking te stellen voor het trainen van rechters, aanklagers en ambtenaren om ze, waar nodig, vertrouwd te maken met de rechtspraak van het Hof. 

Beleidsvrijheid en grenzen van bescherming

Op verschillende punten verwijst de Verklaring naar de beleidsvrijheid die de lidstaten hebben, en naar de primaire verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de bescherming van de rechten van het Verdrag. Ook is er veel aandacht voor de grenzen van de bescherming die het EVRM biedt. Die nadruk maakt duidelijk dat een aantal staten voldoende armslag wil hebben om een effectief migratiebeleid te voeren. Maar ook in dit opzicht respecteert de Verklaring de bestaande jurisprudentie van het Hof. Dat geldt ook voor de zin in de aanhef van de Verklaring, dat altijd gezocht moet worden naar de juiste balans tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten: dat is een letterlijk citaat uit een uitspraak van het Hof in 1989.  

Conclusie: geen belemmeringen voor migratiebeleid

Al met al is het belangrijk op te merken dat de Verklaring – waaraan de regeringsexperts maandenlang hebben gewerkt – geen enkel specifiek aspect noemt van het EVRM, of van de jurisprudentie van het Straatsburgse Hof, dat de lidstaten daadwerkelijk belemmert bij het handhaven van een effectief migratiebeleid. 

Achtergrond

Op 14 en 15 mei 2026 vond een ministeriële conferentie plaats in Chişinău, de hoofdstad van Moldavië, dat momenteel voorzitter is van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Een belangrijk agendapunt was het aannemen van een politieke verklaring over mensenrechten en migratie. In de afgelopen maanden hebben regeringsvertegenwoordigers onderhandeld over de tekst, die uiteindelijk dus op 15 mei is aangenomen. Het College voor de Rechten van de Mens heeft de onderhandelingen op de voet gevolgd, en heeft de Nederlandse regering opgeroepen om zich in te zetten voor de integriteit van de Raad van Europa, het Europese systeem van bescherming van mensenrechten en de onafhankelijke positie van het Straatsburgse Hof. 

Een nadere blik op de Verklaring

Het werk van de regeringsexperts heeft geresulteerd in een omvangrijke en gedetailleerde verklaring. De tekst – een politieke verklaring – is niet bindend, en brengt dus geen wijziging in de tekst van het EVRM aan. Wel kan het Europees Hof er rekening mee houden. Dat geldt ook voor nationale rechters die het EVRM in hun dagelijks werk toepassen. 

In de Verklaring onderstrepen Staten het absolute karakter van het verbod van foltering en andere onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (artikel 3 EVRM). Dat betekent dat op de bescherming van dit recht geen uitzonderingen zijn toegestaan: het mag nooit worden beperkt en nooit worden opgeschort. Zij halen daarbij de lijn van de uitspraken van het Hof aan, die teruggaat tot ver in de vorige eeuw, dat die bijzondere sterke bescherming van artikel 3 alléén geldt voor gevallen waarin sprake is van een minimumniveau van ernst.  

Ook bevestigen staten het recht op respect voor privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM). Ook hier verwijzen ze naar de lijn van de rechtspraak van het Hof. Bij de weging van de belangen van individuen en de samenleving hebben zij een ruime beoordelingsvrijheid.  

Van groot belang is, tot slot, de herhaalde steun voor het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM. De noodzaak voor bescherming van ieders rechten geldt ook voor migranten, aldus de lidstaten, en dus ook voor degenen die slachtoffer worden van de zgn. ‘instrumentalisatie’ van migratie. Daarmee wordt gedoeld op de situatie waarin kwaadwillende staten doelbewust groepen migranten naar de grens sturen van een Europees land. Dat kan leiden tot bijzonder ernstige humanitaire noodsituaties. De lidstaten erkennen dat zij ook in dergelijke situaties de rechten van eenieder moeten respecteren en beschermen. Terecht, aldus het College: als wordt bepaald dat bepaalde groepen minder rechten hebben, dan verliezen we het kernidee uit het oog dat mensenrechten universeel zijn. Zodra uitzonderingen en dubbele maatstaven binnensluipen, kunnen de rechten van andere groepen in de toekomst worden ondermijnd als dat politiek handig uitkomt. 
 

Lees de eerdere oproep: Oproep van het College: bescherm het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)