ABN AMRO en het pensioenfonds van de bank maken geen verboden onderscheid op grond van leeftijd door bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel een spreidingstermijn van tien jaar toe te passen. Dat oordeelt het College voor de Rechten van de Mens.
Beeld: © ANP / Dennis Venema
Volgens het College is wel sprake van indirect onderscheid op grond van leeftijd, omdat de gekozen berekeningsmethode oudere deelnemers relatief zwaarder raakt. Dat onderscheid is in dit geval echter objectief gerechtvaardigd en daarom niet verboden.
Wat verandert er in het nieuwe stelsel?
Sinds 1 juli 2023 is de Wet toekomst pensioenen van kracht. Pensioenfondsen hebben tot 1 januari 2028 om over te stappen op het nieuwe stelsel. Bij die overgang moeten bestaande pensioenrechten collectief worden omgezet naar het nieuwe stelsel. Een belangrijk onderdeel van deze overgang is de verdeling van eventuele overschotten binnen het fonds. Dit wordt invaren genoemd.
Met de Wet toekomst pensioenen wijzigen diverse aspecten. Pensioenen worden persoonlijker en bewegen meer mee met de economie. Bij de overgang naar het nieuwe stelsel worden bestaande aanspraken omgerekend. Eventuele buffers of overschotten moeten daarbij worden verdeeld over de deelnemers.
Om te bepalen hoeveel aanspraak een deelnemer op een overschot maakt, schrijft de wet een spreidingstermijn van tien jaar voor. Dat betekent dat wordt gekeken naar een periode van tien jaar waarin indexaties kunnen plaatsvinden. Oudere deelnemers hebben naar verwachting minder jaren waarin zij indexatie kunnen meemaken dan jongere deelnemers. Zij worden hierdoor benadeeld. De wet biedt onder voorwaarden ruimte om af te wijken, maar ABN AMRO kiest ervoor om dat niet te doen.
Klacht over benadeling van ouderen
Een vereniging die opkomt voor de belangen van gepensioneerden stelt dat de bank ouderen benadeelt door vast te houden aan de termijn van tien jaar. Volgens de vereniging ontvangen de oudste gepensioneerden hierdoor op de transitiedatum ongeveer de helft van wat jongere deelnemers krijgen.
Indirect onderscheid, maar gerechtvaardigd
Het College stelt vast dat geen sprake is van direct onderscheid op grond van leeftijd. De regeling verwijst niet expliciet naar leeftijd. Wel is sprake van indirect onderscheid. De gekozen berekeningsmethode treft oudere deelnemers in de praktijk relatief zwaarder. Indirect onderscheid op grond van leeftijd is toegestaan als daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.
Het College toetst in deze zaak terughoudend of het indirecte onderscheid op grond van leeftijd objectief is gerechtvaardigd. Dat doet het omdat het beleid waaruit dit onderscheid voortvloeit, is vastgesteld door sociale partners. Zij hebben in dit geval bij het bepalen van hun doelen en de middelen om die te bereiken een ruime beoordelingsmarge. Bovendien gaat het hier om een onderdeel van een bredere stelselwijziging. De effecten van de gekozen spreidingstermijn moeten daarom worden beoordeeld in samenhang met de totale effecten van het nieuwe pensioenstelsel.
Het College oordeelt dat ABN AMRO met de keuze voor de wettelijke spreidingstermijn een legitiem doel nastreeft: een evenwichtige verdeling van het pensioenvermogen bij de overgang naar het nieuwe stelsel. De regeling is volgens het College passend en noodzakelijk en doet geen onevenredige afbreuk aan de belangen van ouderen of gepensioneerden.