College geeft advies over wetsvoorstel aanpassing pensioenstelsel

Het huidige pensioenstelsel sluit niet goed aan bij de ontwikkelingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Daarom heeft het kabinet in 2019 met de werknemers- en werkgeversorganisaties een akkoord gesloten voor een nieuw pensioenstelsel. Het College voor de Rechten van de Mens (College) heeft op verzoek van de minister advies gegeven over de mensenrechtelijke aspecten van het wetsvoorstel, met name op het terrein van gelijke behandeling en non-discriminatie.

Hoe is de situatie nu?

Op dit moment werkt het pensioen in veel gevallen op basis van de zogenaamde ‘doorsneesystematiek’. Dit houdt in dat alle deelnemers hetzelfde percentage pensioenpremie betalen, de doorsneepremie. En hetzelfde percentage pensioen opbouwen, de doorsneeopbouw. Daarnaast vindt er herverdeling van pensioenopbouw plaats van jonge deelnemers naar oudere deelnemers.

Wat is het voorstel?

De bedoeling van het nieuwe pensioenstelsel is dat de pensioenen meer gaan meebewegen met de economie, waarbij het risico op schommelingen lager wordt naarmate werknemers dichter bij hun pensioenleeftijd zitten. Voor de doorsneesystematiek komt in de plaats een leeftijdsonafhankelijke premie en een daarbij passende actuarieel neutrale pensioenopbouw. Met andere woorden: nu krijgen jonge en oude werknemers nog evenveel pensioenopbouw in ruil voor hun premie. Terwijl de inleg van een jongere meer waard is: dat geld kan langer renderen. In het pensioenakkoord is afgesproken dat werknemers straks het pensioentegoed krijgen dat hun ingelegde premie waard is: jongeren meer, ouderen minder.

Voor de meeste jongeren is dat goed nieuws. Nu krijgen zij minder pensioenopbouw dan hun ingelegde premie waard is. Ze betalen nu nog mee aan het pensioen van oudere werknemers. In het voorgestelde stelsel is dat niet meer zo.

Wat betekent dat voor gelijke behandeling?

Het College vraagt aandacht voor twee aspecten van het voorstel, namelijk gelijke behandeling van vrouwen en mannen en gelijke behandeling van jonge en oude werknemers.

Omdat onder het nieuwe pensioenstelsel het begin van de loopbaan het moment is dat het grootste deel van het pensioen wordt opgebouwd, is het nieuwe voorstel nadelig voor vrouwen. Zij werken vaak minder in hun jonge jaren, onder meer vanwege zorgtaken. Hierdoor bouwen vrouwen aan het begin van hun carrière minder pensioen op dan mannen. Dat is ook al een effect in het huidige stelsel, maar de nadelige gevolgen voor de pensioenopbouw zullen naar verwachting toenemen onder het voorgestelde pensioenstelsel. Het College constateert hier indirect onderscheid op grond van geslacht voor vrouwen. Als dit nadeel niet gecompenseerd word, leidt dit voorstel volgens het College tot discriminatie op grond van geslacht.

Dit mogelijke nadelige effect voor vrouwen wordt in het wetsvoorstel onderkend en er wordt uitgebreid op ingegaan. Het kabinet volgt de aanbeveling van het College om vrouwen te compenseren niet (pagina 338 van de toelichting). Volgens het College is het onwenselijk als de huidige pensioenkloof tussen mannen en vrouwen met dit voorstel verder zou worden vergroot en is dit wetsvoorstel juist een uitgelezen mogelijkheid om dit beter te regelen. Het College beveelt het kabinet aan om dit punt te heroverwegen, of te onderbouwen waarom het nadelige effect voor vrouwen niet gecompenseerd zou hoeven worden.

Het voorstel is ook nadelig voor de groep werkenden van 40-55 jaar. Een veertiger krijgt onder de nieuwe regels straks wél de lagere pensioenopbouw, terwijl die als jongere nog niet de hoge opbouw op zijn inleg kreeg. Dit gaat naar inschatting van het College leiden tot indirect onderscheid op grond van leeftijd. Het wetsvoorstel noemt wel mogelijkheden voor adequate compensatie, maar de keuze welke leeftijdsgroepen in welke mate worden gecompenseerd, laat het kabinet over aan sociale partners. Het College stelt echter vast dat het de verantwoordelijkheid van de wetgever is om in het conceptwetsvoorstel de gelijke behandeling van de door de transitie benadeelde leeftijdsgroepen van deelnemers te garanderen. Het verwezenlijken van gelijke behandeling op grond van leeftijd is geen optie die kan worden uitonderhandeld, maar een minimumeis van rechtmatigheid. Het is dus geen inspanningsverplichting, maar een resultaatsverplichting. Deze verantwoordelijkheid kan niet alleen bij de sociale partners worden gelegd.

Bekijk het advies

Wat is de volgende stap?

Het streven van het kabinet is om de nieuwe pensioenwet uiterlijk 1 januari 2023 in werking te laten treden. De sociale partners en pensioenuitvoerders krijgen vier jaar de tijd om pensioenregelingen aan te passen aan de nieuwe wetgeving, dus tot 1 januari 2027.