Oordelen

Bonprix S.A.R.L. discrimineerde een vrouw door andere leveringsvoorwaarden te hanteren omdat zij op een woonwagenlocatie woont.

Oordeelnummer 2017-7
02-02-2017
Ras

Volledig oordeel

 

Oordeel

2017-7

 

 

Datum: 2 februari 2017

Dossiernummer: 2016-0328

 

 

 

Oordeel in de zaak van

 

[. . . . ]

wonende te [. . . . ], verzoekster

 

tegen

 

Bonprix S.A.R.L.

gevestigd te Frankrijk, verweerster

 

 

1 Verzoek

1.1 Verzoekster vraagt het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) om te beoordelen of verweerster jegens haar verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door andere leveringsvoorwaarden te hanteren omdat zij op een woonwagenlocatie woont.

 

2 Verloop van de procedure

 

2.1 Het College heeft kennisgenomen van de volgende stukken

- verzoekschrift van 24 augustus 2016, ontvangen op 30 augustus 2016;

- verweerschrift van 24 oktober 2016.

 

2.2 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2017. Partijen zijn verschenen. Verzoekster werd bijgestaan door [. . . . ], coördinator Bureau Discriminatiezaken Zaanstreek/Waterland. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. A. Nass, advocaat te Amsterdam, die werd vergezeld door mr. B. Brouwer, advocaat te Amsterdam, [. . . . ], operations coordinator & manager, en [. . . .], finance & Dutch customer department manager.

 

3 Feiten

 

3.1 Verweerster heeft een in Nederland gevestigde webwinkel.

 

3.2 Verzoekster woont op een woonwagenlocatie. Zij heeft op 14 juli 2016 een bestelling geplaatst bij verweerster. Bij haar bestelling heeft zij aangegeven dat zij gebruik maakt van de mogelijkheid om de kosten na ontvangst te betalen. Vervolgens hebben verzoekster en verweerster van 15 juli 2016 tot en met 19 augustus 2016 nader gecorrespondeerd over de geplaatste bestelling.

 

4 Ontvankelijkheid

 

4.1 Verweerster heeft aangevoerd dat verzoekster niet ontvankelijk is in haar verzoek omdat zij niet heeft aangetoond dat zij behoort tot de groep woonwagenbewoners, die de bescherming van gelijkebehandelingswetgeving geniet.

 

4.2 Het College legt het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie (IVUR) ruim uit. Het omvat tevens huidskleur, afkomst en nationale of etnische afstamming (Kamerstukken II 1990-91, 22 014, nr. 3, p. 13). De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor de vaststelling of sprake is van discriminatie wegens ras moet worden aangeknoopt bij verschillende kenmerken, die van fysieke, etnische, geografische, culturele, historische en godsdienstige aard kunnen zijn (Hoge Raad 13 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6191).

 

4.3 Het Committee on the Elimination of all forms of Racial Discrimination (CERD), dat toeziet op de naleving van het IVUR, hanteert het begrip ‘zelfidentificatie’ als norm om te bepalen of mensen behoren tot een bepaalde raciale of etnische groep.

 

4.4 Het College heeft eerder geoordeeld dat woonwagenbewoners onder het begrip ras vallen, zoals bedoeld in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB). Zij manifesteren zich van generatie op generatie als zodanig en beschouwen zich als een bevolkingsgroep met een van andere bevolkingsgroepen te onderscheiden cultuur (zie College voor de Rechten van de Mens, 5 juli 2016, 2016-63, overweging 5.4)

 

4.5 Verzoekster beschouwt zichzelf als woonwagenbewoner. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij en haar familie al generaties lang woonwagenbewoners zijn en op een woonwagenlocatie hebben gewoond of wonen. Het College is van oordeel dat verzoekster daarom een beroep kan doen op de grond ras in de zin van de AWGB. Het College acht verzoekster dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

 

5 De bestelling

 

- Onderscheid op grond van ras?

 

Standpunt verzoekster

5.1 Verzoekster is van mening dat verweerster jegens haar onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door aan haar als woonwagenbewoner andere leveringsvoorwaarden te stellen dan aan niet-woonwagenbewoners. Verweerster had haar laten weten dat zij geen bestellingen op woonwagenkampen levert. Zij kon haar bestelling enkel ontvangen als ze vooruit betaalde, en de bestelling afhaalde bij een PostNl afhaalpunt. In de correspondentie met verweerster werd haar ook de mogelijkheid geboden voor aflevering aan huis, maar zonder levering op krediet en alleen als zij een GBA-uittreksel zou overleggen. Het overleggen van een GBA-uittreksel kost haar tijd en geld.

 

Standpunt verweerster 

5.2 Verweerster betwist dat zij jegens verzoekster onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. De kredietbeoordeling is bij verzoekster uitgevoerd zoals dat bij anderen gebeurt. Door een combinatie van factoren is zij daar niet doorgekomen. Klanten kunnen vooraf betalen met iDEAL, PayPal of creditcard, en zij kunnen betalen na ontvangst. Bij betaling na ontvangst vindt er een kredietbeoordeling plaats door zowel een extern bureau als verweerster zelf, waarbij verschillende criteria van belang zijn. Een van deze criteria is de beoordeling van de status van het afleveradres. Als een klant een afleveradres heeft opgegeven dat bij controle geen standaard woonadres is of (b)lijkt te zijn, zoals een school, hotel, gezondheidsinstelling, woonwagenkamp of camping, dan is het voor verweerster lastig om te verifiëren of het pakket daadwerkelijk is aangekomen. Als het afleveradres geen woonadres is, kan verweerster ook moeilijk de klant aanspreken als deze niet betaalt.Ingeval de klant aan de hand van een GBA-uittreksel of andere officiële gegevens aantoont dat het opgegeven adres een woonadres is, dan kan verweerster ervoor kiezen de bestelling op krediet toch aan te bieden. Dit heeft zij vaker gedaan, ook aan klanten die op een woonwagenkamp wonen.

 

Beoordeling door het College 

5.3 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 14 juli 2016 heeft verzoekster een bestelling geplaatst bij verweerster, waarbij zij heeft gekozen voor betaling na ontvangst. Op 15 juli 2016 heeft een medewerker van verweerster verzoekster een e-mail gestuurd waarin staat: “Bij je laatste bestelling heb je voor betaling na ontvangst gekozen. Volgens onze financiële afdeling kunnen we je echter deze betalingswijze niet aanbieden. Wij stellen je voor om je bestelling opnieuw op internet te plaatsen en de betalingswijze PayPal of iDEAL te kiezen. Wil je liever met creditcard betalen, neem dan telefonisch contact met ons op.” Niet betwist is dat verzoekster naar aanleiding van deze e-mail telefonisch contact heeft opgenomen met de klantenservice van verweerster. Op 2 augustus 2016 heeft een medewerker van verweerster verzoekster een e-mail gestuurd waarin staat: “Voor uw informatie: Wij kunnen inderdaad niet leveren op adressen die vallen onder de categorieën: campings, woonwagenkampen en kantoorgebouwen. Echter kunt u wel een bestelling plaatsen en er voor kiezen dat het pakket bij een PostNL servicepunt bij u in de buurt wordt geleverd.” Nadat verzoekster hierop per e-mail had gereageerd, heeft een medewerker van verweerster op 8 augustus 2016 verzoekster de volgende e-mail gestuurd: “Ik begrijp dat u op een woonwagenkamp verblijft. Door een groot verlies van bestellingen heeft Bonprix sinds enige tijd besloten om geen bestellingen meer te aanvaarden op adressen van campings, bedrijven, hotels en dergelijke. Om bij ons te bestellen, dient het factuuradres een woonadres te zijn.” Daarop heeft verzoekster weer teruggemaild. Op 19 augustus 2016 heeft verweerster verzoekster tot slot meegedeeld: "Helaas niet, gezien men in het verleden vaak te maken kreeg met fraudegevallen op woonwagenkampen. Ik begrijp uw standpunt en bied u mijn excuses voor het ongemak. Wel kan ik er voor zorgen dat uw dossier opnieuw geopend wordt met als enige betalingsoptie "iDEAL", "Paypal’ en "credit card", als ik een GBA-uittreksel ontvang waarop het adres op uw account vermeld staat als woonadres.”

 

5.4 Uit de bovengenoemde e-mails van de medewerker van verweerster volgt dat verweerster in beginsel geen bestellingen aflevert op woonwagenlocaties. In dergelijke gevallen biedt verweerster de klant alternatieven aan voor het afleveren van de bestelling, zo ook aan verzoekster. Het eerste alternatief was om de bestelling vooraf te betalen en de bestelling op te halen bij een PostNl servicepunt. Het tweede alternatief was om de bestelling eveneens vooraf te betalen en een GBA-uittreksel over te leggen, waarmee duidelijk zou zijn dat het door verzoekster opgegeven afleveradres tevens haar woonadres was. Verweerster heeft ter zitting verklaard dat de status van het woonadres voor haar onduidelijk was, ook na beoordeling van Google Maps. Verzoekster bestrijdt dit; uit Google Maps en foto’s van Street View blijkt volgens haar duidelijk dat het om een woonwagenlocatie gaat. Ook is op die foto’s te zien dat het om een woonadres gaat met een eigen huisnummer, aldus verzoekster. Het College volgt het standpunt van verzoekster, in zoverre dat het aannemelijk is dat uit de informatie van Google Maps en Street View voor verweerster duidelijk kon zijn dat het gaat om een zelfstandig woonadres. Verweerster heeft met haar handelwijze verzoekster anders behandeld dan andere klanten die niet een woonwagenlocatie als woonadres hebben opgegeven. Het College oordeelt daarom dat verweerster jegens verzoekster onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. Verweerster heeft nog aangevoerd dat hetgeen in de e-mails van de medewerker staat niet haar beleid is. Dit maakt de vorenstaande beoordeling echter niet anders, nu verweerster als werkgever verantwoordelijk is voor het handelen van haar werknemers. Daar komt bij dat uit de e-mails van de betreffende medewerker volgt dat ook de financiële afdeling betrokken is geweest bij het besluit om aan verzoekster de betalingswijze 'betaling na ontvangst' niet aan te bieden.

 

5.5 Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid op grond van ras zowel direct als indirect onderscheid wordt begrepen. Van direct onderscheid is sprake indien een persoon op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op grond van ras. Van indirect onderscheid is sprake als een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen van een bepaald ras in vergelijking met andere personen bijzonder treft. Het beleid dat verweerster hanteert, namelijk dat zij geen, althans onder andere leveringsvoorwaarden, bestellingen aflevert aan woonwagenlocaties, is naar het oordeel van College geen neutraal beleid. Verweerster heeft, als gesteld in haar e-mail van 19 augustus 2016, vanwege fraudegevallen op woonwagenkampen ervoor gekozen om niet meer te leveren aan woonwagenlocaties. Verweerster gaat er kennelijk van uit dat bij bewoners van woonwagenlocaties, dus onder de groep woonwagenbewoners, vaker fraude plaatsvindt. Het beleid dat verweerster voert kan dan ook bezwaarlijk worden aangemerkt als ‘een ogenschijnlijk neutrale (…) handelwijze’, als bedoeld in artikel 1 AWGB. Hoewel de handelwijze van verweerster niet alleen woonwagenbewoners treft, maar een ieder die woonachtig is op een woonwagenlocatie, overweegt het College, anders dan zijn voorganger (CGB, thans het College 7 juli 1999, 1999-65, en 21 juni 2007, 2007-109), dat het leveringsbeleid van verweerster ten aanzien van woonwagenlocaties direct onderscheid op grond van ras oplevert. Dit is in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak CHEZ (HvJ EU 16 juli 2015,nr. C 83/14, ECLI:EU:C:2015:480, JV 2015/308, m.nt. Rodrigues). In deze zaak heeft het Hof uitgemaakt dat sprake is van direct onderscheid wanneer blijkt dat een maatregel is ingevoerd en/of wordt gehandhaafd om redenen die verband houden met de etnische afstamming die de meeste bewoners van de betreffende wijk gemeen hebben. In lijn met dit arrest oordeelt het College dat het beleid dat verweerster ten aanzien van woonwagenlocaties hanteert bij het leveren van een bestelling, verband houdt met de etnische afkomst van alle dan wel de meeste bewoners van woonwagenlocaties.

 

5.6 Het maken van direct onderscheid is verboden tenzij voor het onderscheid een wettelijke uitzondering bestaat. Gesteld noch gebleken is dat een wettelijke uitzondering op het onderscheid van toepassing is. Het College oordeelt daarom dat verweerster jegens verzoekster verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door andere leveringsvoorwaarden te hanteren omdat verzoekster op een woonwagenlocatie woont.

 

6 Oordeel

 

Bonprix S.A.R.L. heeft jegens [. . . .] verboden onderscheid op grond van ras gemaakt.

Aldus gegeven te Utrecht op 2 februari 2017 door prof. mr. J.C.J. Dute, voorzitter, mr. D.C. Houtzager en mr. D. Ghidei, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. N. Günes, secretaris.

 

 

prof. mr. J.C.J. Dute       

namens deze,       

mr. E.J.M. Hofhuis     

collegelid       

 mr. N. Günes

 namens deze, 

 mr. A.H. Pranger

 secretaris

 

 

 

 

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: