Oordelen

Maten in maatschap (tandartspraktijk) discrimineren een vrouw op grond van handicap of chronische ziekte door haar in de proeftijd te ontslaan omdat ze tijdens de sollicitatie niet had verteld over haar burn-out en ziektewetuitkering.

Oordeelnummer 2017-48
19-04-2017

Volledig oordeel

Oordeel

2017-48

 

Datum: 19 april 2017

 

Dossiernummer: 2017-0006

 

Oordeel in de zaak van

[. . . .]

wonende te [. . . . ], verzoekster

 

tegen

 

[. . . .] en [. . . .], maten in maatschap Mijn Tandarts

gevestigd te Heemskerk, verweerders

 

1 Verzoek

Verzoekster vraagt het College om te beoordelen of verweerders jegens haar verboden onderscheid op grond van (vermeende) handicap of chronische ziekte hebben gemaakt bij de beslissing om de arbeidsovereenkomst met haar in de proeftijd te beëindigen.

 

2 Verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- verzoekschrift van 10 januari 2017, ontvangen op 10 januari 2017;

- e-mail van verzoekster van 24 januari 2017;

- verweerschrift van 22 februari 2017;

- twee e-mails van verzoekster van 14 maart 2017

Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2017. Partijen zijn verschenen. Verzoekster werd vergezeld door [. . . .], haar echtgenoot, en bijgestaan door D. Koekkoek, klachtbehandelaar Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam. Verweerders waren in persoon aanwezig en werden bijgestaan door mr. E. Peters, jurist bij Stichting VvAA Rechtsbijstand.

 

3 Feiten

Verzoekster is op 2 juni 2016 bij verweerders in dienst getreden als baliemedewerker. Zij heeft verweerders op 23 juni 2016 verteld dat zij in het verleden een burn-out heeft gehad. Op 29 juni 2016 deelden verweerders haar mee dat de arbeidsovereenkomst in de proeftijd zou worden beëindigd.

 

4 Standpunt verzoekster

Verweerders hebben jegens verzoekster verboden onderscheid op grond van een vermeende handicap of chronische ziekte gemaakt door haar in haar proeftijd te ontslaan vanwege een burn-out waarvan verzoekster inmiddels hersteld was. Zoals blijkt uit de overgelegde verklaring van de GZ-psycholoog van verzoekster, was haar behandeling in januari 2016 succesvol afgerond en waren er vanaf dat moment geen psychische klachten meer die aan werkhervatting in de weg stonden. Op het moment dat verzoekster solliciteerde ontving ze nog wel een Ziektewetuitkering, maar dat was omdat ze in februari 2016 was bevallen van haar kind en ze daarna nog geen andere baan had gevonden.

 

5 Standpunt verweerders

Voor de functie van baliemedewerker moet iemand over de nodige stressbestendigheid beschikken. Het is een hectische functie met piekmomenten, waarbij je goed moet kunnen omgaan met lastige patiënten.

Het is de vraag of iemand die langdurig is uitgevallen in verband met overbelasting wel geschikt is voor die functie. De burn-out was dan ook relevant voor de functie en verzoekster had dit moeten melden. Verzoekster had tijdens de sollicitatieprocedure ook moeten vertellen dat zij toen een ziektewetuitkering ontving. Door verweerders tijdens de sollicitatieprocedure niet in te lichten over de burn-out en de Ziektewetuitkering, heeft zij het vertrouwen van verweerders geschaad.

 

6 Beoordeling

 

Bevoegdheid

6.1 Bij het beëindigen van een arbeidsverhouding mag geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte worden gemaakt (artikel 4, aanhef en onderdeel b, Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)). De WGBH/CZ biedt ook bescherming tegen ongerechtvaardigd onderscheid op grond van een vermeende handicap of chronische ziekte. Tijdens de parlementaire behandeling van de WGBH/CZ is het voorbeeld genoemd van een ex-kankerpatiënt die als chronisch zieke wordt beschouwd (Kamerstukken II 2001/2, 28 169, nr. 3, p. 24).Verzoekster stelt dat zij ten tijde van de sollicitatie was hersteld van haar burn-out en heeft dit onderbouwd met een verklaring van haar behandelaar. Verweerders hebben haar een chronische ziekte toegedicht, door haar te ontslaan vanwege de burn-out. Het College stelt vast dat verweerders jegens verzoekster hebben gehandeld in de veronderstelling dat zij een aandoening heeft (burn-out) die op elk moment weer acuut kan worden en die dan tot beperkingen leidt in de functie-uitoefening door verzoekster. Verweerders zijn er aldus van uitgegaan dat de aandoening een langdurig karakter heeft. Het College volgt verzoekster daarom in haar standpunt en zal beoordelen of sprake is van onderscheid op grond van een vermeende handicap of chronische ziekte. Daarbij kan in het midden blijven of een burn-out op zichzelf moet worden beschouwd als een handicap of chronische ziekte in de zin van de WGBH/CZ.  

 

Verboden onderscheid?

6.2 Vaststaat dat verweerders de arbeidsovereenkomst in de proeftijd hebben beëindigd, omdat verzoekster tijdens de sollicitatieprocedure niet heeft verteld dat zij een Ziektewetuitkering ontving en een burn-out had (gehad).

 

6.3 Op een sollicitant rust in beginsel geen verplichting om tijdens de sollicitatieprocedure melding te maken van een chronische ziekte, tenzij hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat zijn ziekte van invloed is op de uitoefening van de functie. Verzoekster heeft door middel van een medische verklaring van haar behandelaar aangetoond dat zij ten tijde van de sollicitatie hersteld was van haar burn-out. Zij hoefde er daarom niet vanuit te gaan dat haar burn-out uit het verleden nog van invloed zou zijn op de uitoefening van de functie van baliemedewerker. Op haar rustte dan ook geen verplichting om hiervan melding te maken. In het verlengde hiervan hoefde zij tijdens de sollicitatie ook geen mededelingen te doen over haar Ziektewetuitkering.

Dit wordt bevestigd in de memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarin daarover is opgemerkt: “De regering hecht er – na weging van de verschillende belangen – allereerst aan vast te houden aan het uitgangspunt dat aspirantwerknemers met een handicap of WAO-verleden niet verplicht zijn de aspirantwerkgever hierover bij een sollicitatie te informeren, tenzij bijzondere functieeisen daartoe nopen.”(Kamerstukken II 2004/05, 30 118, nr. 3, p. 59).

 

6.4 Uit het voorgaande volgt dat op verzoekster geen verplichting rustte om tijdens de sollicitatieprocedure melding te maken van haar burn-out of van het feit dat zij een ziektewetuitkering ontving. Verweerders hebben derhalve jegens verzoekster verboden onderscheid op grond van (vermeende) handicap of chronische ziekte gemaakt door haar tegen te werpen dat zij hen in de sollicitatieprocedure niet hierover heeft geïnformeerd.

 

6.5 Voor zover verweerders menen dat verzoekster vanwege de burn-out niet geschikt was voor de functie, stelt het College vast dat verweerders de arbeidsovereenkomst met verzoekster hebben beëindigd, zonder onderzoek te doen naar de vraag of verzoekster nog een burn-out had, welke beperkingen zij hiervan (nog) ondervond, of zij door die beperkingen ongeschikt was voor de functie en of zij door doeltreffende aanpassingen geschikt gemaakt kon worden voor de functie. Om die reden kunnen verweerders zich er niet op beroepen dat verzoekster ongeschikt zou zijn voor de functie.

 

7 Oordeel

[. . . .] en [. . . .] hebben jegens [. . . . ] verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt.

Aldus gegeven te Utrecht op 19 april 2017 door prof. mr. J.C.J. Dute,in tegenwoordigheid van mr. A.H. Pranger, secretaris.

 

 

prof. mr. J.C.J. Dute 

namens deze,  

mr. C.A. Goudsmit  

collegelid  

mr. A.H. Pranger

namens deze,

mr. A. Argoubi

 

secretaris 

 

 

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: