18 jul2016

Verbieden van godsdienstige uitingen op werkvloer vanwege neutraliteit druist in tegen belang voorkomen uitsluiting

Op 13 juli adviseerde een Advocaat-Generaal aan het Europese Hof van Justitie om het ontslag van een Franse vrouw vanwege haar hoofddoek aan te merken als discriminatie. Eerder concludeerde haar collega in een vrijwel identieke zaak in België het tegenovergestelde. Het College voor de Rechten van de Mens heeft onlangs twee zaken beoordeeld waarin vrouwen vanwege godsdienstige uitingen van de werkvloer werden geweerd. Net als in de Franse en Belgische zaken deed de werkgever een beroep op het belang van neutraliteit. Het College onderkent dat dit belang zwaar kan wegen. Maar er moet voor worden gewaakt dat een ander zwaarwegend belang hierdoor al te gemakkelijk opzij wordt gezet. Dat is het maatschappelijke belang dat bevolkingsgroepen niet vanwege godsdienstige uitingen worden uitgesloten van deelname aan het maatschappelijk leven.

In de zaak tegen het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) oordeelde het College dat er sprake was van discriminatie door een vrouw op grond van haar godsdienstige uitingen niet aan te nemen: de vrouw weigerde mannen een hand te geven. Een andere zaak betrof de Rechtbank Rotterdam die een moslima als buitengriffier afwees omdat zij tijdens de zitting haar hoofddoek niet wilde afdoen. Beide organisaties deden een beroep op de noodzaak van neutraliteit. Dit kan een zo zwaarwegend belang zijn dat het maken van onderscheid op grond van godsdienst niet verboden is. In zijn uitspraken weegt het College dit belang echter af tegen het maatschappelijke belang dat iedereen de mogelijkheid moet hebben om, ongeacht geloofsovertuiging, deel te nemen aan de samenleving. Het College houdt hierbij de bedoeling van de Nederlandse gelijkebehandelingswet voor ogen: het bevorderen van een inclusieve samenleving.

Meer informatie:

◀ Terug naar berichten