Oordelen

Een vrouw toont niet aan dat Stichting VU-VUmc haar discrimineerde door anonieme klachten over haar promotieonderzoek te behandelen. De VU had meer moeten doen om de vrouw te beschermen tegen mediapublicaties met een discriminerend karakter.

Oordeelnummer 2015-87
24-07-2015

Volledig oordeel

Oordeel

2015-87

 

Datum: 24 juli 2015

Dossiernummer: 2014-0380

 

Oordeel in de zaak van

 

[. . . ]

wonende te [. . .], verzoekster

 

tegen

 

Stichting VU-VUmc

gevestigd te Amsterdam, verweerster

 

 

1 Procesverloop

 

1.1 Bij verzoekschrift van 27 oktober 2014, dat op 3 november 2014 is ontvangen, heeft verzoekster het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) gevraagd te onderzoeken of verweerster jegens haar verboden onderscheid op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd heeft gemaakt door de wijze waarop verweerster is omgegaan met anonieme meldingen over het (promotie-)onderzoek van verzoekster, het uitstellen van haar promotie en de wijze waarop verweerster hierover heeft bericht. Ook vraagt verzoekster te onderzoeken of verweerster verboden onderscheid heeft gemaakt door verzoekster niet te beschermen tegen discriminatoire mediapublicaties en door informatie te verstrekken aan een journalist. Tenslotte vraagt verzoekster te onderzoeken of verweerster onderscheid heeft gemaakt op (één of meerdere van de) eerdergenoemde gronden door geen nieuwe arbeidsverhouding met haar aan te gaan, door de wijze waarop zij haar declaraties moest indienen, door het niet verstrekken van een zogenoemde gastvrijheidsverklaring en door verzoeksters klachten over discriminatie niet zorgvuldig te behandelen.

 

1.2 Naar aanleiding van dit verzoekschrift, beantwoordt verzoekster bij e-mail van 1 december 2014, met bijlagen, vragen van het College. Op 16 december 2014 voert het College met verzoekster een gesprek, teneinde nadere informatie te verkrijgen om te kunnen beoordelen of haar verzoek in behandeling genomen kan worden. Van het gesprek is een verslag opgemaakt, dat deel uitmaakt van de processtukken.

 

1.3 Op 24 februari 2015 neemt het College het verzoek van verzoekster in behandeling. Op 24 maart 2015 heeft verweerster haar verweerschrift ingediend. Op 13 mei 2015 heeft verzoekster een e-mail met bijlagen gestuurd.

 

1.4 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2015, waar partijen zijn verschenen. Verzoekster werd vergezeld door [. . .], haar promotor. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. W.E. Pors, advocaat te ’s-Gravenhage, die werd vergezeld door [. . .], rector magnificus, en [. . . ], medewerker bestuurszaken.

 

 

2 Feiten

 

2.1 Verzoekster is van Marokkaanse afkomst en moslima; zij is geboren in 1977.

 

2.2 Verzoekster treedt in 2008, als assistent in opleiding, in dienst bij de universiteit van verweerster. Verzoekster werkt bij de Faculteit Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde (FEWEB). Zij doet promotieonderzoek naar de sociaal-economische prestaties van Marokkaanse migranten in Nederland. Haar proefschrift heeft de titel “The new urban world, assessment of creativity, diversity and attractivity of cities. De promotie van verzoekster stond gepland op 29 mei 2013.

2.3 Op 21 mei 2013 stuurt een anonieme persoon aan verweerster een e-mail met de melding dat verzoekster in haar proefschrift plagiaat heeft gepleegd. Verweerster neemt de melding in behandeling en stelt een Onderzoekscommissie in, de Commissie Drenth I, om de melding te onderzoeken.

 

2.4 Op 24 mei 2013 plaatst verweerster een bericht op haar website met als titel: “Geplande verdediging proefschrift uitgesteld”. Het verdere bericht luidt: “Het proefschrift van [verzoekster], dat zij woensdag 29 mei zou verdedigen heeft op de valreep de toets der kritiek niet doorstaan. In twee hoofdstukken van het proefschrift, getiteld: ‘The new urban world. Assessment of creativity, diversity and attractivity of cities’ zijn diverse onzorgvuldigheden aangetroffen, die correcties behoeven. De verdediging van het proefschrift wordt daarom tot nader order uitgesteld.”

 

2.5 Verweerster plaatst op 30 mei 2013 op haar website het bericht met de titel “Integriteitsonderzoek naar onvolkomenheden proefschrift”. Het verdere bericht luidt: “Op vrijdag 24 mei heeft [verweerster] bekend gemaakt dat de verdediging van het proefschrift: ‘The new urban World. Assessment of creativity, diversity and attractivity of cities’ van [verzoekster] tot nader order is uitgesteld, vanwege onvolkomenheden in enkele hoofdstukken van het proefschrift. Omdat deze onvolkomenheden mogelijk een schending van de wetenschappelijke integriteit vormen, heeft [verweerster] besloten nader onderzoek te laten instellen. Gedurende het onderzoek zal [verweerster] geen mededelingen doen over de voortgang of over de resultaten.”

 

2.6 Op 30 mei 2013 publiceert de Telegraaf een artikel met de kop: “VU-promovenda [naam verzoekster] in opspraak”. Daarin staat: “Promovenda [naam verzoekster] van [verweerster], blijkt niet alleen gesjoemeld te hebben met data voor haar promotieonderzoek, ook zou ze al jarenlang illegaal een doctorstitel voeren. (…)”. De Telegraaf citeert in dit artikel de decaan van verweerster: “In hoofdstukken over de conferentie bleek ze sprekers verwisseld te hebben.” en “Verder zou ze citaten uit artikelen als citaten van de conferentie hebben weergegeven”. Ook over het voeren van de doctorstitel wordt de decaan geciteerd: “Je mag niet zomaar een graad misbruiken. Ik weet niet of dit juridische gevolgen heeft.” In de laatste alinea van het bericht wordt gesproken over “de Marokkaanse”. De NRC, het Parool en De Volkskrant publiceren op 28 respectievelijk 30 mei 2013 artikelen over verzoekster waarbij de decaan wordt geciteerd.

 

2.7 Op 12 september 2013 sluit de Commissie Drenth I haar onderzoek. Aanbevolen wordt dat verzoekster haar proefschrift zodanig bewerkt dat de in het rapport genoemde tekortkomingen (…) worden hersteld. Vervolgens kan het proefschrift via de gebruikelijke procedure opnieuw worden ingediend en beoordeeld. De promotor wordt in overweging gegeven zich omwille van een nieuw en onafhankelijk oordeel over het herziene proefschrift terug te trekken als promotor.

2.8 Op 1 november 2013 plaatst verweerster een bericht op haar website: “Onderzoek naar proefschrift [verzoekster] afgerond.” Het luidt: “[Verweerster] heeft de conclusies van de commissie (Drenth) overgenomen. Conform de aanbeveling van de commissie dat de geconstateerde tekortkomingen in het proefschrift kunnen worden hersteld, heeft het CvB besloten dat [verzoekster] de gelegenheid krijgt om haar proefschrift aan te passen om alsnog in aanmerking te komen voor een promotie. (…) Om geen twijfel te laten bestaan over de beoordeling van het herziene manuscript hebben de promotor en de copromotoren besloten zich terug te trekken. (…)”

 

2.9 Op 8 november 2013 stuurt een journalist een e-mail naar verweerster waarin staat: “(…) Wat mijn WOB/WHW-verzoek betreft: ik wil graag ook een overzicht van alle conferenties waar [de promotor] en [verzoekster] zijn geweest. Dit om de informatie over de hotels te kunnen matchen. (…) Vraag over totstandkoming aanstelling [verzoekster], sollicitatiecommissie e.d. had ik ook al gesteld. (…) Ik hoop dat verweerster, in samenspraak met [de promotor]/[verzoekster], alsnog openheid van zaken geeft over de kwestie van de vermeende relatie (dat mij eigenlijk nu vooral interesseert) juist omdat het niet is uitgezocht en de wil om het te onderzoeken lijkt te ontbreken). (…)” Verweerster verstrekt in november 2013 de journalist informatie over congresbezoeken van verzoekster en haar promotor en de daarbij horende declaraties tussen 2009-2014.

 

2.10 Op 22 november 2013 stuurt de anonieme persoon (zie 2.3) een tweede e-mail naar verweerster met een melding over het werk van verzoekster. De anonieme melder schrijft: “Ik heb begrepen dat het onderzoek dat heeft plaatsgevonden naar aanleiding van mijn melding van onregelmatigheden in het proefschrift van [verzoekster] zich niet heeft uitgestrekt tot publicaties buiten haar proefschrift. Ik heb daarom enige tijd geleden een gedeelte van deze andere publicaties bestudeerd. (…) Veel van haar (verzoeksters) publicaties bestaan uit enorme hoeveelheden aan elkaar geplakte tekstfragmenten (bladzijden, alinea’s, zinnen) die zijn gekopieerd uit andere publicaties, net als bij het proefschrift in de meeste gevallen van coauteurs maar ook weer regelmatig van derden. (…) Ik wil via deze mail graag een nieuwe klacht indienen, opdat ook de misstanden in wetenschappelijke publicaties van [verzoekster] buiten haar proefschrift kunnen worden onderzocht.”

 

2.11 Op 8 januari 2014 publiceert De Volkskrant een artikel over de promotor van verzoekster, met als titel “De George Clooney van de wetenschap”. Daarin staat: “[Naam verzoekster] begon tijdens haar studie als student-assistent van [naam promotor]. Vervolgens werkte ze als zijn secretaresse, tot ze een promotieplek wist te bemachtigen. Behalve veelschrijver was ze daar de regeltante voor de vele conferenties die [de promotor] organiseerde. [De promotor] zelf had geen tijd voor het administratieve werk - daarvoor was hij te veel in het buitenland. Ja, er gingen geruchten over buitenechtelijke affaires, maar niemand kan dat bevestigen. Ook met [verzoekster] zou [de promotor] een relatie hebben gehad - iets wat door de commissie-Drenth niet is onderzocht en door decaan [naam] inmiddels als 'irrelevant' wordt afgedaan, want [de promotor] is niet langer haar promotor.”

2.12 Verweerster stelt de Onderzoekscommissie Drenth II in die de tweede melding onderzoekt. De Commissie Drenth II maakt op 2 juni 2014 haar bevindingen bekend. Die luiden (samengevat): “(…) Met betrekking tot drie (…) publicaties constateert de commissie dat er sprake is van plagiaat, zij het dat de omvang daarvan aanzienlijke verschillen vertoont: in twee publicaties betreft het relatief korte passages, terwijl er in publicatie 1 sprake is van een zeer omvangrijk gebruik van andermans teksten. De Commissie Drenth-II treft/doet de volgende maatregelen en aanbevelingen: 1. De commissie is van mening dat publicatie 1 [naam publicatie] van [verzoekster], (…) gepubliceerd in de [naam tijdschrift] op basis van het geconstateerde plagiaat, mede gelet op de omvang daarvan, door de gezamenlijke auteurs dient te worden teruggetrokken. 2. De commissie adviseert het College van Bestuur om met

de afdeling Ruimtelijke Economie in overleg te treden over de vraag hoe in de toekomst kan worden voorkomen dat “onregelmatigheden” in publicaties zoals die aan de orde komen in dit en in de voorgaande rapportage (WI 2013/2) kunnen worden voorkomen.”

 

2.13 Het College van Bestuur van verweerster besluit op 18 juni 2014 om het onderzoeksrapport van de Commissie Drenth II (voorlopig) te onderschrijven en over te nemen.

 

2.14 Op 25 juli 2014 stelt verzoekster tegen het rapport van Commissie Drenth II en het daarop gebaseerde (voorlopige) besluit van het College van Bestuur van verweerster beroep in bij het Landelijke Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Het LOWI oordeelt op 25 februari 2015: “Het LOWI is van oordeel dat de klachten van klagers (verzoekster en haar promotor) deels gegrond en deels ongegrond zijn. De procedurele klachten van klagers zijn gegrond voor zover het gaat om (1) de dubbele rol van de Ombudsman, en de schijn van vooringenomenheid wanneer de Ombudsman tevens deel uitmaakt van de Commissie die de klacht onderzoekt; en (2) het ondeugdelijke vooronderzoek van de Ombudsman bij het in behandeling nemen van een anonieme klacht; en (3) de onzorgvuldige wijze waarop het bestuur de zaak in de publiciteit heeft gebracht. (…) Het LOWI adviseert het bestuur zijn (voorlopige) besluit van 18 juni 2014 te herzien in de zin dat het LOWI geen schending van wetenschappelijke integriteit constateert ten aanzien van publicatie 1 enerzijds, en verwijtbaar onzorgvuldig handelen constateert ten aanzien van publicatie 7 en 8 in onderlinge samenhang, zonder dat dit resulteert in een schending van wetenschappelijke integriteit. Het LOWI adviseert het bestuur zijn (voorlopige) besluit van 18 juni 2014 slechts te handhaven aangaande de maatregelen bestaande in een gesprek van het bestuur met de Afdeling Ruimtelijke Economie ter voorkoming van (verwijtbare) onzorgvuldigheden c.q. een geval als het onderhavige.”

 

2.15 De arbeidsovereenkomst tussen verweerder en verzoekster eindigt van rechtswege op 1 maart 2014.

 

2.16 Tussen 1 maart 2014 en 25 juni 2014 werkt verzoekster bij verweerster op basis van een ‘gastvrijheidsverklaring’.

 

2.17 Verzoekster promoveert op 25 juni 2014.

 

2.18 Verzoekster schrijft verweerster op 24 oktober 2014: ”Zou je voor mij de continuering van mijn gastvrijheidsverklaring in orde kunnen maken zoals die voor alle andere postdoc researchers (ongeacht een dienstverband) is geregeld.” Verweerster schrijft verzoekster op diezelfde dag terug: “Het spijt me, maar [naam] zegt je krijgt geen verlenging van je gastvrijheid.”

 

2.19 Verzoekster schrijft verweerster op 24 oktober 2014: “Ik heb meerdere malen bij de decaan aangegeven dat mijn declaraties niet zijn uitbetaald en worden verhinderd door [naam]. Bij alle declaraties (bijvoorbeeld verblijfskosten, reiskosten) moeten uiteraard standaard de relevante bescheiden worden aangeleverd. (…) Nu blijkt ineens dat ik als enige met bovenstaande bescheiden niet meer mag volstaan (…). Dit is niet alleen een incorrect geval van ongelijke behandeling (noem het 'pesterij'),” maar ook van ongefundeerd wantrouwen.”

 

 

3 Beoordeling van het verzoek

 

3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerster jegens verzoekster (verboden) onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd door:

- haar handelwijze naar aanleiding van anonieme meldingen: het in behandeling nemen van anonieme meldingen over het (promotie-)onderzoek van verzoekster, de wijze van behandeling, het uitstellen van de promotie van verzoekster en de berichtgeving daarover op de website;

- verzoekster niet te beschermen tegen mediapublicaties met een discriminatoir karakter;

- informatie te verstrekken aan een journalist;

- bij het (niet)verstrekken van een gastvrijheidsverklaring, de wijze waarop verzoeksters declaraties zijn behandeld en bij het niet aangaan van een arbeidsverhouding;

- klachten van verzoekster over discriminatie niet zorgvuldig te behandelen.

 

Juridisch kader

 

3.2 Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel c, e en h, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB, is het verboden om onderscheid te maken op grond van ras en godsdienst bij het aangaan van een arbeidsverhouding (waaronder het niet opnieuw aangaan van een arbeidsverhouding na ommekomst van een tijdelijk contract), bij de arbeidsvoorwaarden en bij de arbeidsomstandigheden.

 

3.3 In artikel 7:646, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst, in de arbeidsvoorwaarden en bij de arbeidsomstandigheden.

3.4 In artikel 3, aanhef en onderdeel c, e en h, van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL), in samenhang met artikel 1 WGBL, is bepaald dat onderscheid op grond van leeftijd is verboden bij het aangaan en het beëindigen van een arbeidsverhouding, bij de arbeidsvoorwaarden en bij de arbeidsomstandigheden.

 

3.5 In artikel 10, eerste lid, AWGB, artikel 12, eerste lid, WGBL en artikel 7:646, twaalfde lid, BW is een - gelijkluidende – bepaling neergelegd met betrekking tot de bewijslastverdeling. Die luidt dat, indien degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de AWGB, de WGBL en/of het BW, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, de wederpartij dient te bewijzen dat niet in strijd met de betreffende wet(ten) is gehandeld.

Het College past deze bewijslastverdeling op alle voorliggende vragen toe.

 

3.6 Het College beoordeelt de in 3.1 genoemde voorliggende vragen achtereenvolgens als volgt.

 

Onderscheid door handelwijze naar aanleiding van anonieme meldingen?

 

Wat verzoekster aanvoert

 

3.7 Verzoekster voert - samengevat - het volgende aan. Verzoekster was de eerste promovenda van Marokkaanse afkomst aan haar faculteit. In haar promotieonderzoek kwam verzoekster tot positieve conclusies over verschillende groepen van Marokkaanse migranten. Daarover werd af en toe in de wandelgangen van de universiteit schamper gedaan. De anonieme melding, die een week voor haar promotie binnenkwam, was in belangrijke mate ingegeven door etnische vooringenomenheid. Behalve de voor sommigen onwelgevallige positieve conclusies over Marokkanen, hield de melding met name in dat verzoekster onvoldoende had verwezen naar het werk van een Turkse onderzoekster. Deze onderzoekster had al eerder in e-mails aan andere universiteiten laten weten dat ze, vanwege verzoeksters leeftijd, vond dat verzoekster internationaal teveel aandacht kreeg en te veel publiceerde. Verzoekster heeft verweerster direct ingelicht over de discriminerende motieven van de melder, maar dit werd terzijde geschoven. Verweerster had verzoekster moeten beschermen maar heeft daarentegen haar volledig in de steek gelaten. Ook stelt verzoekster dat het bij verweerster ongebruikelijk is om anonieme klachten in behandeling te nemen; in haar geval is dat echter wel gebeurd. Door het in behandeling nemen van deze anonieme meldingen zonder dat de melder ooit bekend is geworden, neemt verweerster het risico dat de melder discriminerende motieven heeft die niet aan het licht komen.

 

3.8 Voordat verweerster de eerste melding ontvankelijk verklaarde, vroeg de ombudsman de anonieme melder of hij met zijn melding misschien doelde op “zelfplagiaat” in het werk van verzoekster. Door de term zelf-plagiaat in het leven te roepen heeft verweerster een (onterechte) klacht op dit punt uitgelokt. De tweede anonieme melding kwam binnen op 22 november 2013. Verweerster stelde verzoekster hiervan pas op 19 december 2013 op de hoogte. Beide anonieme meldingen zijn in behandeling genomen zonder dat verzoekster is gehoord. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De decaan heeft verzoeksters promotie eigenhandig uitgesteld, hetgeen in strijd is met het Promotiereglement. Bovendien geldt dat iemand tijdens een integriteitsonderzoek geen enkel nadeel mag ondervinden. Verzoekster is wel benadeeld door het uitstellen van de promotie.

 

3.9 Verweerster heeft met haar berichtgeving van 24 en 30 mei 2013 een impuls gegeven aan etnische stigmatisering, aldus verzoekster. Er ontstond publiekelijk een discussie over ‘de Marokkaanse promovenda' die ‘gesjoemeld’ zou hebben en ‘plagiaat’ zou hebben gepleegd. Het feit dat verzoekster voluit Nederlandse is telde al niet meer mee. Het publiceren van de naam van iemand, die anoniem is beschuldigd en die niet eens de gelegenheid heeft gekregen om te worden gehoord, is een schending van het gelijkheidsbeginsel, te meer omdat in die fase nog niet eens een commissie van onderzoek was ingesteld.

 

3.10 De Commissie Drenth was buitengewoon bevooroordeeld, stelt verzoekster. In plaats van de algemeen geldende plagiaatcriteria toe te passen, op grond waarvan de anonieme meldingen ongegrond zouden zijn verklaard, formuleerde de Commissie selectieve criteria. Deze handelwijze is discriminerend, te meer nu de regels achter slot en grendel zijn gezet en niet konden worden getoetst. Bovendien dwong de Commissie Drenth verzoekster, als enige in de geschiedenis van verweerster, om tegen haar wens een andere promotor te aanvaarden. Verzoekster kreeg niet dezelfde rechten als iedere andere promovendus. Door de discriminerende handelwijze van verweerster is verzoeksters carrière ernstig geschaad.

 

Wat verweerster aanvoert

 

3.11 Verweerster verklaart – samengevat - het volgende. Verweerster kan een anonieme melding onderzoeken, hoewel zij hier terughoudend mee omgaat. De onderhavige anonieme melding is onderzocht, omdat de beschuldigingen ernstig waren en verifieerbaar. De anonieme melding was zeer gedetailleerd en bevatte concrete verwijzingen. Verweerster heeft zonder aanzien des persoons gehandeld. De enige reden om de melding te onderzoeken was dat verzoekster mogelijk in strijd had gehandeld met de wetenschappelijke integriteit. Hoewel de anonieme melder mogelijk van Turkse afkomst is, is verweerster niet bekend met zijn motieven. Verweerster betwist dat zij hoor en wederhoor had moeten toepassen alvorens de klacht ontvankelijk te verklaren.

 

3.12 Verweerster licht toe dat de situatie voor haar uniek was. Zij krijgt vrijwel nooit een anonieme melding en al zeker niet zo kort voor een promotie. Verweerster besloot om de promotie van verzoekster uit te stellen, omdat haar promotieonderzoek mogelijk niet aan de vereiste voorwaarden voldeed. Verweerster moest een onderzoek verrichten omdat een eenmaal verleende doctorstitel slechts op zwaarwegende, limitatieve gronden kan worden ingetrokken. Het uitstel moest bekend gemaakt worden omdat de promotie eerder publiekelijk was aangekondigd. Verweerster vond het niet wenselijk om een “mistige situatie” te creëren door de reden voor uitstel niet te noemen. Er was geen sprake van etnische stigmatisering; het betrof een zakelijke mededeling in reactie op inmiddels ontstane publiciteit.

 

3.13 Verweerster heeft de anonieme meldingen zorgvuldig behandeld. Zo heeft niet één functionaris de meldingen onderzocht, maar een commissie. De Commissie Drenth stelde vast dat delen van verzoeksters proefschrift ‘de proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap’ niet konden doorstaan. De Commissie legde de verantwoordelijkheid hiervoor bij de begeleiders. Daarmee is verzoekster zoveel mogelijk in bescherming genomen. Omdat bij die delen van het onderzoek verzoeksters promotor als co-auteur was betrokken, heeft hij zich teruggetrokken. Er was geen sprake van dwang. Verweerster onderzoekt thans ook het werk van verzoeksters promotor. Dat bevestigt dat verweerster jegens verzoekster geen onderscheid op de door verzoekster genoemde gronden heeft gemaakt door haar werk te onderzoeken. De promotor verschilt immers in vrijwel alle beschermde persoonskenmerken van verzoekster.

 

Beoordeling door het College

 

3.14 Tussen verzoekster en verweerster bestond een dienstbetrekking, waarbinnen verzoekster haar promotieonderzoek verrichtte. Het handelen van verweerster in deze dient gerekend te worden tot arbeidsomstandigheden en kan getoetst worden aan de artikelen die zijn genoemd in 3.2 – 3.4.

 

3.15 Het is niet de taak van het College om te beoordelen of het handelen van verweerster al dan niet zorgvuldig is geweest. Het College treedt dan ook niet in vragen zoals: heeft verweerster de anonieme meldingen al dan niet terecht in behandeling genomen; is de juiste regeling toegepast en/of zijn de (plagiaat)criteria op de juiste wijze gehanteerd. Aan het College staat slechts ter beoordeling of verweerster bij haar handelen naar aanleiding van de anonieme meldingen jegens verzoekster onderscheid heeft gemaakt in de zin van de wetgeving gelijke behandeling. Zoals in 3.5 overwogen, is het aan verzoekster om feiten aan te voeren die een dergelijk onderscheid kunnen doen vermoeden. Het College is van oordeel dat verzoekster er niet in is geslaagd zulke feiten aan te voeren.

 

3.16 Verzoekster stelt dat de anonieme melder discriminerende motieven had. Het College stelt voorop dat niet het handelen of de motieven van de anonieme melder ter beoordeling voorliggen, maar het handelen van verweerster. Wat van eventuele discriminerende motieven van de anonieme melder verder ook zij, verzoekster heeft geen feiten aangevoerd die kunnen doen vermoeden dat verweerster onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd bij het in behandeling nemen en onderzoeken van de anonieme meldingen, dan wel dat verweerster de gestelde discriminerende motieven van de melder kunnen worden toegerekend. Evenmin heeft verzoekster feiten aangevoerd die kunnen doen vermoeden dat de redenen die verweerster had om de anonieme meldingen te onderzoeken, verzoekster bijzonder zouden treffen vanwege haar ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd. Verzoekster stelt dat sprake was van vooringenomenheid, bijvoorbeeld omdat de ombudsman een klacht over “zelfplagiaat” zou hebben uitgelokt. Echter, ook als dit al zou moeten worden aangenomen, zijn daarmee geen feiten komen vast te staan die direct of indirect een relatie kunnen doen vermoeden tussen het handelen van de ombudsman en verzoeksters ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd. Voor zover verzoekster stelt dat in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, geldt dat het niet aan het College is om zich uit te spreken over een schending van het gelijkheidsbeginsel in algemene zin. Het College spreekt zich uit over een schending van het gelijkheidsbeginsel in verband met een wettelijk beschermde discriminatiegrond, zoals ras, geslacht, godsdienst en leeftijd. Voor het vestigen van een vermoeden dat sprake is geweest van een dergelijke schending, is naar het oordeel van het College onvoldoende vast komen te staan.

 

3.17 Ten aanzien van het uitstellen van verzoeksters promotie en de berichtgeving daarover op de website, overweegt het College als volgt. Verweerster plaatst op 24 mei 2013 het bericht dat verzoeksters promotie wordt uitgesteld, waarbij wordt vermeld dat sprake is van onzorgvuldigheden in haar proefschrift. In het bericht van 30 mei 2013 schrijft verweerster dat sprake is van onvolkomenheden en dat mogelijk de wetenschappelijke integriteit is geschonden. Het College overweegt dat het niet aan hem is om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van het besluit of over de zorgvuldigheid van de berichtgeving. Het College dient te beoordelen of verweerster door aldus te besluiten en/of door de berichtgeving op haar site jegens verzoekster onderscheid heeft gemaakt op een of meer van de in geding zijnde gronden. Het College ziet in het besluit tot uitstel van de promotie, gegeven de context waarin dit besluit is genomen, geen aanwijzing dat er een relatie is tussen het besluit en verzoekster ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd. Evenmin ziet het College in de inhoud en de woordkeus van de twee berichten op de site een aanwijzing dat verzoekster vanwege één of meer van de genoemde gronden bijzonder getroffen is. Het College is derhalve niet van feiten gebleken die kunnen doen vermoeden dat het handelen van verweerster in deze verband houdt met een wettelijke discriminatiegrond.

 

3.18 Verzoekster verwijt de Commissie Drenth dat zij jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd. Vooropgesteld zij hier dat het handelen van de Commissie Drenth als zodanig verweerster niet kan worden verweten. Het was immers de taak van deze commissie om onafhankelijk van verweerster een oordeel te geven over de (on)gegrondheid van de anonieme meldingen. Verweerster zou mogelijk een verwijt gemaakt kunnen worden als zij vanuit een oogpunt van discriminatie onzorgvuldig zou zijn geweest in de samenstelling van de commissie of wanneer zij de oordelen van de commissie had gevolgd, terwijl zij had moeten weten of vermoeden dat de oordelen op onzorgvuldige wijze tot stand waren gekomen. Voor wat betreft de samenstelling van de commissie richt het voornaamste verwijt van verzoekster zich op de dubbelrol van de ombudsman. Ten aanzien hiervan overweegt het College dat, wat men ook moge denken van deze dubbelrol van de ombudsman in een procedure als hier aan de orde, verzoekster niet duidelijk heeft gemaakt op welke manier deze dubbelrol haar vanwege haar ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd heeft benadeeld. Voor wat betreft de totstandkoming van de oordelen richt het verwijt van verzoekster zich in de kern op vooringenomenheid van en het niet juist toepassen van de bij verweerster geldende procedures door de commissie. Verzoekster is er naar het oordeel van

het College echter niet in geslaagd een verband te leggen tussen de gestelde vooringenomenheid en het niet volgen van de geldende procedures enerzijds en haar ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd anderzijds.

 

3.19 Nu geen feiten zijn komen vast te staan die kunnen doen vermoeden dat verzoekster door de samenstelling of door de werkwijze van de Commissie Drenth is benadeeld vanwege haar ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd, oordeelt het College dat verweerster vanuit het oogpunt van de gelijkebehandelingswetgeving de oordelen van de Commissie Drenth redelijkerwijs heeft mogen overnemen.

 

3.20 Blijkens de verklaringen van partijen is niet eerder zo kort voor de promotie een anonieme melding gedaan. Het College is van oordeel dat het feit dat deze unieke situatie zich voordeed bij verzoekster, de eerste promovenda van Marokkaanse afkomst binnen haar faculteit, niet voldoende is om een vermoeden van onderscheid te vestigen. Het ontstaan van de situatie is verweerster immers niet aan te rekenen.

 

3.21 Alles overziend is het College van oordeel dat niet is gebleken dat verweerster jegens verzoekster onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd door haar handelwijze naar aanleiding van de anonieme meldingen.

 

Onderscheid door verzoekster niet te beschermen tegen mediapublicaties met een discriminatoir karakter?

 

Wat verzoekster stelt

 

3.22 Verzoekster verklaart – samengevat - het volgende. Journalisten sloegen aan op de berichtgeving van verweerster op 24 en 30 mei 2013 over het uitstellen van haar promotie. Haar naam is op de website genoemd in samenhang met kwalificaties zoals ‘onvolkomenheden’ in haar proefschrift en ‘integriteitsonderzoek’. Het zou ook mogelijk zijn geweest om de reden van het uitstel niet specifiek te noemen; promoties worden immers wel vaker uitgesteld. Media publiceerden daarop artikelen over de ‘Marokkaanse promovenda’ die ‘gesjoemeld’ zou hebben. Verweerster treft hier een ernstig verwijt. Verweerster heeft met haar mededelingen op de website de aanzet gegeven tot dergelijke berichtgeving over haar. Vervolgens heeft verweerster niets gedaan om haar te beschermen. Verweerster verzuimde bijvoorbeeld om stelling te nemen tegen de berichten waarin zij als ‘sjoemelende Marokkaanse promovenda’ werd geportretteerd. Door niet op te treden heeft verweerster meegeholpen aan discriminatie.

 

3.23 In de loop van 2013 doken in de media geruchten op dat verzoekster een relatie zou hebben (gehad) met haar promotor. Verweerster deed niets om deze laster te weerspreken. De decaan van verweerster, die contact met de media had, beantwoordt een vraag van De Volkskrant (van 8 januari 2014) inzake de vermeende relatie (zie 2.11). Zijn antwoord, dat deze kwestie inmiddels 'irrelevant' is omdat de promotor niet langer verzoeksters promotor is, laat ruimte voor de gedane suggestie, terwijl hij uitdrukkelijk had moeten ontkennen dat sprake was van deze relatie.

 

3.24 Verzoekster heeft zich medio 2013 gewend tot de rector met het verzoek om hulp en bescherming tegen deze geruchten. Zij heeft hierbij duidelijk gemaakt dat de geruchten over een relatie met haar promotor voor haar een groot probleem zijn, waarbij zij heeft uitgelegd hoe dit voor haar speelt vanwege haar cultureel-religieuze achtergrond. Verzoekster heeft er daarbij ook op gewezen dat zij zich bedreigd voelde. Zij heeft daarna echter niets van de rector vernomen.

 

Wat verweerster stelt

 

3.25 Verweerster stelt – samengevat - het volgende. Verzoekster klaagt erover dat ‘derden’ zich discriminerend over haar hebben uitgelaten. De mediahype valt niet onder de verantwoordelijkheid van verweerster. Het lag niet in de macht van verweerster om maatregelen te treffen waarmee bepaalde uitlatingen voorkomen of teruggedraaid konden worden. Verzoekster wekt de indruk dat zij mocht verwachten dat verweerster partij voor haar zou kiezen. Dat was onder de gegeven omstandigheden niet mogelijk. Verweerster kon niet, hangende de onderzoeken, publiekelijk stelling nemen ter verdediging van verzoekster.

 

3.26 Verzoekster stelt dat zij nadeel heeft ondervonden van geruchten over haar, met inbegrip van geruchten over een mogelijke persoonlijke relatie tussen haar en haar promotor. Verweerster betreurt dit.

 

3.27 De rector bevestigt dat verzoekster hem medio 2013 om hulp heeft gevraagd. De rector betreurde de situatie maar hij zag niet in wat hij kon ondernemen. Het enige wat hij kon doen was op de zeepkist gaan staan en scanderen dat verzoekster en haar promotor geen relatie hadden. Dat zou alleen naar contraproductief hebben uitgepakt. Hij zag geen mogelijkheid om concreet iets te betekenen voor verzoekster.

 

 

Beoordeling door het College

 

3.28 Het College toetst de vraag of verweerster (verboden) onderscheid heeft gemaakt door verzoekster niet te beschermen tegen mediapublicaties met een discriminatoir karakter aan het verbod om onderscheid te maken bij de arbeidsomstandigheden. Het verbod van onderscheid bij de arbeidsomstandigheden houdt mede in dat een werkgever een werknemer dient te beschermen tegen discriminatie die deze in verband met zijn/haar werk ondervindt.

 

3.29 Verzoekster heeft een aantal perspublicaties overgelegd (2.6) die naar haar mening discriminerend zijn, met name doordat eraan gerefereerd wordt dat zij “Marokkaanse” is in samenhang met diverse negatieve kwalificaties. In een aantal van deze publicaties wordt de decaan van verweerster aangehaald. Wat de decaan volgens deze aanhalingen gezegd zou hebben, kan echter niet opgevat worden als discriminerend jegens verzoekster. De gedane mededelingen zijn zakelijk van aard en zien op de anonieme melding, het uitstellen van de promotie als gevolg daarvan en in algemene zin op het niet mogen gebruiken van de doctorstitel door iemand die niet gepromoveerd is, waarvan verzoekster in sommige publicaties werd beticht. Voorts volgt het College verweerster in haar verweer dat zij niet verantwoordelijk is voor de mediahype die ontstond. Los van de vraag of de berichtgeving op de website over het uitstel van de promotie van verzoekster gelukkig te noemen is, concludeert het College dat de berichtgeving op zichzelf niet onderscheidmakend is of aanzet tot discriminatie. Het College oordeelt daarom dat de overgelegde perspublicaties geen feiten zijn die kunnen doen vermoeden dat verweerster jegens verzoekster onderscheid heeft gemaakt op één of meer van de in geding zijnde gronden.

 

3.30 Onbetwist is dat verzoekster zich medio 2013 tot de rector wendt met een hulpvraag. In een gesprek vraagt zij hem om bescherming tegen de discriminerende laster, met name vanwege de geruchten over een vermeende relatie tussen haar en haar promotor. Zij legt daarbij uit dat in het bijzonder deze aantijgingen voor haar, vanwege haar cultureel-godsdienstige achtergrond, zeer problematisch zijn. Onbetwist is dat de rector hierop geen actie heeft ondernomen, waarbij hij ter zitting heeft toegelicht dat hij niet wist wat hij kon doen, behalve op de zeepkist gaan staan en zeggen dat er geen relatie is tussen verzoekster en haar promotor. Volgens hem zou dat alleen een averechts effect hebben gehad. Verweerster voert voorts aan dat het om handelen van media ging, hetgeen buiten haar verantwoordelijkheid valt. Bovendien stelt verweerster dat zij, hangende het onderzoek, niet publiekelijk stelling kon nemen ter verdediging van verzoekster.

 

3.31 Het College volgt verweerster hierin niet en is van oordeel dat verweerster zich door deze opstelling onvoldoende heeft gekweten van haar taak als werkgever om verzoekster te beschermen tegen mediapublicaties met een discriminatoir karakter. In het bijzonder had verweerster zich er meer rekenschap van moeten geven dat verzoekster door alle negatieve publiciteit rond haar persoon in een kwetsbare positie terecht was gekomen. Onbetwist is dat de kwetsbaarheid van haar positie (mede) werd veroorzaakt door diverse negatieve en discriminatoire publicaties die uitdrukkelijk en zonder aanwijsbare noodzaak vermeldden dat zij een vrouw van Marokkaanse afkomst is. Ook staat als onbetwist vast dat verzoekster door de publiciteit geschaad werd in haar carrière en in haar privéleven en dat zij derhalve groot belang had bij bescherming. Van belang hierbij is dat de decaan de media te woord heeft gestaan en dat zijn opmerkingen, hoewel op zichzelf niet discriminatoir, wel in een discriminatoire context zijn gebruikt. Onder deze omstandigheden had verweerster niet mogen volstaan met de naar aanleiding van dit ene gesprek gedane constatering dat zij alleen maar op ‘de zeepkist had kunnen gaan staan’, en dat zij, hangende het onderzoek, niet publiekelijk stelling kon nemen ter verdediging van verzoeksters belangen. Voor verweerster had het verzoek om hulp van verzoekster aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te doen naar haar mogelijkheden om verzoekster te beschermen tegen publicaties met een discriminatoir karakter en de gevolgen daarvoor voor haar. Verweerster had bijvoorbeeld, samen met verzoekster, met interne deskundigen zoals de vertrouwenspersoon of een media-adviseur, kunnen bespreken welke mogelijkheden er zouden zijn om het door de publicaties ontstane beeld te ontzenuwen of haar anderszins te beschermen. Evenmin heeft verweerster de mogelijkheid onderzocht om publiekelijk stelling te nemen tegen bepaalde uitlatingen die voor verzoekster een discriminerend effect hadden. Het feit dat een onderzoek plaatsvond naar haar proefschrift, betekent naar het oordeel van het College niet dat verweerster bij voorbaat niet bij machte zou zijn of zich niet zou hoeven inspannen om verzoekster, haar werkneemster, tegen publicaties met een discriminatoir karakter te beschermen. Aan dit oordeel doet niet af dat verweerster niet verantwoordelijk is voor de wijze waarop diverse media over de onderhavige kwestie hebben bericht.

3.32 In het midden latend wat verweerster precies had kunnen dan wel moeten ondernemen, overweegt het College dat verweerster, door niet in actie te komen na verzoeksters verzoek om hulp en bescherming, te kort geschoten is in haar zorgplicht als werkgever. Dit klemt temeer omdat verweerster bijvoorbeeld niet in actie is gekomen naar aanleiding van het artikel in De Volkskrant van 8 januari 2014 (zie 2.11). In dit artikel worden uitlatingen aan de decaan toegeschreven die juist het onderwerp betreffen waarvoor verzoekster haar hulpvraag deed, te weten de vermeende relatie tussen verzoekster en haar promotor. Het College merkt hierbij op dat een eventueel optreden van verweerster niet zou nopen tot het verdedigen van verzoeksters proefschrift dan wel het vooruitlopen op onderzoeksresultaten, zoals verweerster heeft aangevoerd. Dit was ook niet wat verzoekster vroeg. Verzoekster vroeg om een inspanning van haar werkgever om haar te beschermen tegen publicaties met een discriminatoir karakter, in verband met haar cultureel-godsdienstige achtergrond. Voorts volgt het College verweerster niet in haar standpunt dat, nu het om een mediahype ging, één en ander buiten haar verantwoordelijkheid lag. Het gaat hier niet om wat de persorganen schrijven, maar om de wijze waarop verweerster is omgegaan met een hulpvraag.

 

3.33 Het College volgt verzoekster in haar stelling, dat zij door de mediapublicaties met een discriminatoir karakter wordt getroffen vanwege haar cultureel-godsdienstige achtergrond. Het College vat dit op als getroffen worden vanwege, en in samenhang met elkaar, haar Marokkaanse afkomst en islamitische geloofsovertuiging. Het College volgt verzoekster niet voor zover zij stelt dat zij (ook) getroffen wordt vanwege haar geslacht en leeftijd. Nu verweerster niet (al dan niet in samenspraak met verzoekster) heeft onderzocht welke mogelijkheden zij heeft om verzoekster te beschermen tegen discriminerende publicaties, is het College van oordeel dat verweerster jegens verzoekster verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van ras en godsdienst.

 

Onderscheid door informatie te verstrekken aan een journalist?

 

Wat verzoekster stelt

 

3.34 Verweerster heeft een verzoek op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) van een journalist ingewilligd, waardoor privacygevoelige informatie over verzoekster op straat kwam te liggen. De journalist gaf bij zijn WOB-verzoek aan dat het hem om een privacy-onderzoek te doen was (2.9). Dat is in strijd met de geest van de WOB. Hij wilde een vermeende relatie tussen verzoekster en haar promotor aantonen. Dat verweerster hieraan heeft meegewerkt is onbegrijpelijk nu verweerster geen WOB-verplichting kent en deze informatie dus niet had hoeven geven. Verweerster heeft daarmee bijgedragen aan discriminatie in de pers op grond van etniciteit, religie, leeftijd en geslacht. Zij wordt immers als jonge vrouw publiekelijk in verband gebracht met een vermeende relatie met haar promotor, hetgeen op grond van haar afkomst en haar religie extra nadelige gevolgen heeft voor haar.

Wat verweerster stelt

 

3.35 Verweerster geeft doorgaans gehoor aan een WOB-verzoek, ook al kent zij officieel geen WOB-verplichting. Zij wil transparant opereren, mede omdat zij publieke gelden ontvangt. De rector had zowel verzoekster als de promotor uitdrukkelijk gevraagd of zij een relatie hadden (gehad). Beiden ontkenden dit. Dit bevestigde verweerster in haar besluit om mee te werken aan het WOB-verzoek. Binnen het systeem van de WOB zou verweerster het verzoek alleen hebben kunnen weigeren om reden van privacy. Nu er van een relatie geen sprake was, was ook de privacy van verzoekster en haar promotor niet in geding. Bovendien zou niet meewerken juist de suggestie wekken dat zich iets oneigenlijks zou hebben voorgedaan. Daarom was het ook in het belang van verzoekster om openheid van zaken te geven. Het ging niet om privégegevens van verzoekster, maar om zakelijke declaraties. De beslissing om gehoor te geven aan het WOB-verzoek heeft niets te maken met onderscheid op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd. Met welk doel de journalist de informatie opvroeg is niet relevant; in geval van rechtstreekse toepasselijkheid van de WOB zou immers ook gelden dat voor een WOB-verzoek niet vereist is dat de aanvrager daar een specifiek belang bij heeft.

 

Beoordeling door het College

 

3.36 Het College overweegt dat het handelen van verweerster in deze is te scharen onder ‘arbeidsomstandigheden’. Zoals eerder is overwogen heeft een werkgever de zorgplicht om een werknemer te beschermen tegen discriminatie die deze in verband met zijn/haar werk ondervindt. De vraag is of verzoekster feiten heeft aangevoerd die kunnen doen vermoeden dat verweerster jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd door een journalist informatie te verstrekken over door verzoekster in verband met haar werk ingediende declaraties.

 

3.37 Het College is van oordeel dat van dergelijke feiten niet is gebleken. Het staat verweerster vrij om als beleid te hebben dat zij in beginsel handelt alsof zij valt onder de WOB, ook al is zij geen bestuursorgaan in de zin van de WOB. Het College volgt verzoekster niet in haar stelling dat verweerster privé gegevens heeft verstrekt. Verweerster heeft weliswaar hotelrekeningen verstrekt, maar het ging om zakelijke declaraties. Voorts betrekt het College in zijn oordeel dat de rector, voordat hij de betreffende inlichtingen verstrekte, van zowel verzoekster als haar promotor uitdrukkelijk had gehoord dat zij geen relatie hadden (gehad). Het College kan verweerster volgen in haar verweer dat zij heeft meegewerkt aan het WOB-verzoek, juist omdat het niet meewerken eraan de suggestie van het bestaan van een relatie levend zou houden. Daarmee zijn naar het oordeel van het College geen feiten komen vast te staan die kunnen doen vermoeden dat verweerster tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens verzoekster door de gevraagde informatie over declaraties aan de journalist te verstrekken op basis van het WOB-verzoek. Eventuele onderliggende motieven voor het WOB-verzoek, zoals verzoekster die stelt, evenals de gevolgen van dergelijke geruchten – hoe ondermijnend ook voor verzoekster - maken dit oordeel over het handelen van verweerster niet anders.

 

3.38 Het College oordeelt dat niet is gebleken dat verweerster jegens verzoekster onderscheid heeft gemaakt bij de arbeidsomstandigheden door een journalist informatie te verstrekken op basis van een WOB-verzoek.

 

Onderscheid door niet verlenen gastvrijheidsverklaring, wijze van behandelen van declaraties en niet aangaan arbeidsovereenkomst?

 

3.39 Het College beoordeelt , of verweerster jegens verzoekster (verboden) onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd bij de arbeidsvoorwaarden door haar handelen ten aanzien van een gastvrijheidsverklaring en door de wijze waarop verweerster haar declaraties heeft behandeld. Het besluit van verweerster om geen nieuwe arbeidsovereenkomst met verzoekster aan te gaan valt onder het ‘aangaan van een arbeidsverhouding’. Een besluit om een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd niet te verlengen, is een besluit betreffende het (niet-)aangaan van een arbeidsverhouding (vergelijk HvJEG 4 oktober 2001, zaak C-438/99, Jur. 2001, p. I-6915, JAR 2001, 219 (Jimenez Melgar/Ayuntamiento de Los Barrios); zie ook College 17 juni 2014, 2014-71, overweging 3.3). Ingevolge het in 3.2 – 3.4 genoemde wettelijk kader is het verweerster verboden om bij een dergelijk besluit onderscheid te maken op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd.

 

Wat verzoekster stelt

 

3.40 Verzoekster voert – samengevat – het volgende aan. Verzoekster verklaart dat verweerster haar de toegang tot het gebouw heeft ontzegd, alsmede het gebruik van universitaire voorzieningen. Verzoeksters declaraties werden niet uitbetaald. Zij moest dubbel bewijsmateriaal voor gemaakte kosten overleggen, terwijl dat niet gebruikelijk is. Verzoekster moest als enige meer bescheiden overleggen dan collega’s. Ook moest zij het doel van een studiereis, wie toestemming daarvoor had gegeven, een verklaring van de opdrachtgever voor de desbetreffende rekening en de uitnodiging voor de desbetreffende activiteit (workshop/conferentie/project, etc.) overleggen. Verzoekster hoort via een vertrouwelijk bericht dat deze extra eisen van ‘van hogerhand’ komen. Hiermee is niet alleen sprake van ongelijke behandeling, maar ook van ongefundeerd wantrouwen jegens haar. Dit geldt ook voor verzoeksters aanvraag voor een zogenoemde gastvrijheidsverklaring, een verklaring van verweerster waarmee zij gebruik kan maken van universitaire voorzieningen. Haar aanvraag voor een gastvrijheidsverklaring is zonder enige reden definitief van tafel geveegd.

 

3.41 Door geen nieuwe arbeidsovereenkomst met verzoekster aan te gaan heeft verweerster in strijd gehandeld met de vigerende praktijk. Die is dat de projectleider bepaalt wie voor welke tijd aan een project werkt. De betreffende projectleider had verzoekster gevraagd voor dit project; bovendien had verzoekster al veel werk verricht voor het project, dus zou het logisch geweest zijn dat zij ook na ommekomst van haar tijdelijke arbeidsovereenkomst dit werk zou kunnen voortzetten. Dat verweerster geen nieuwe arbeidsovereenkomst met verzoekster is aangegaan klemt te meer nu er voldoende financiën waren en verzoekster altijd tot volle tevredenheid heeft gewerkt. De situatie dat in deze omstandigheden verweerster niet met de voorgedragen kandidaat een arbeidsovereenkomst sluit is nog nooit voorgekomen. Ten opzichte van vele collega-medewerkers acht verzoekster dit een onaanvaardbare aantasting van het gelijkheidsbeginsel.

 

Wat verweerster stelt

 

3.42 Verweerster verklaart – samengevat - het volgende. De wijze waarop verzoekster is behandeld, zoals de wijze waarop zij diende te declareren is op een gegeven moment veranderd, omdat zij na ommekomst van haar tijdelijke contract uit dienst was. Na maart 2014 is verzoekster niet meer in dienst; zij promoveert op 25 juni 2014. In de tussentijd werkte verzoekster op basis van een gastvrijheidsverklaring. Inderdaad heeft verzoekster vervolgens, na haar promotie, geen toegang meer tot een werkplek en andere voorzieningen van verweerster, maar dat komt doordat haar dienstverband afgelopen is. Van een ongelijke behandeling is geen sprake.

 

3.43 Partijen hadden een arbeidsovereenkomst voor tijdelijke duur die van rechtswege afliep. Verweerster heeft besloten haar geen nieuwe arbeidsovereenkomst meer aan te bieden. Er was ook geen reden om verzoekster, na haar promotie, een nieuwe functie aan te bieden. Met ongelijke behandeling heeft dat niets te maken. Verweerster licht toe dat het niet aan de projectleider is om de betreffende functionaris aan te stellen; dat is aan verweerster. Verweerster stelt dat zij geen reden zag verzoekster een functie aan te bieden. Voorts verklaart verweerster dat zij over het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst gesprekken heeft gevoerd met de advocaat van verzoekster. In die gesprekken zijn partijen tot een oplossing gekomen.

 

Beoordeling door het College

 

3.44 Het College is van oordeel dat verzoekster geen feiten heeft aangevoerd die kunnen doen vermoeden dat verweerster onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd bij het handelen inzake het weigeren van de toegang tot het gebouw en de voorzieningen van verweerster, verzoeksters declaraties. Verzoekster moest kennelijk aan andere eisen voldoen bij haar declaraties en zij kreeg niet langer de toegang tot de voorzieningen van verweerster. Verweerster verklaart dat dit kwam doordat verzoekster niet meer in dienst was. Wat hier ook van zij, verzoekster is er naar het oordeel van het College niet in geslaagd een verband te leggen tussen het handelen van verweerster enerzijds en haar ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd anderzijds.

 

3.45 Het College overweegt dat het niet aangaan van een nieuwe arbeidsverhouding een breuk lijkt te zijn met de gebruikelijke gang van zaken van verweerster. Echter, ook ten aanzien van dit deel van verzoeksters klacht geldt dat zij er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat er een relatie is tussen het handelen van verweerster en een wettelijke discriminatiegrond. Hierbij overweegt het College dat het niet aan hem is om zich uit te spreken over de vraag of verweerster -los van de wettelijk beschermde discriminatiegronden- op rechtmatige wijze jegens verzoeker een van de geldende praktijk afwijkende beslissing over haar contractverlenging heeft genomen, zoals verzoekster stelt.

 

3.46 Het College komt tot het oordeel dat niet is gebleken dat verweerster jegens verzoekster onderscheid op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd heeft gemaakt inzake de gastvrijheidsverklaring, inzake de wijze waarop haar declaraties zijn behandeld en bij het niet aangaan van een nieuwe arbeidsverhouding.

 

Onderscheid bij de klachtbehandeling?

 

3.47 Het College gaat tenslotte in op de vraag of verweerster jegens verzoekster (verboden) onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd bij de arbeidsomstandigheden door haar klachten over discriminatie niet zorgvuldig te behandelen. Uit de gelijkebehandelingswetgeving vloeit een verplichting voort om maatregelen te nemen ter naleving van de gelijkebehandelingswetgeving. Deze verplichting houdt mede in dat een werkgever een klacht over discriminatie zorgvuldig moet behandelen (zie ook College, 23 april 2015, 2015-43, overweging 3.13).

 

Wat verzoekster stelt

 

3.48 Verzoekster verklaart – samengevat – het volgende. In mei 2013 heeft zij bij de decaan en op 28 januari 2014 bij de rector geklaagd over discriminatie. Zij vertelde dat de anonieme melding was ingegeven door jaloezie- of wraakgevoelens, versterkt of gevoed door een combinatie van leeftijd, gender en etniciteit. Op 28 april 2014 heeft verzoekster de rector een bericht gestuurd waarin zij klaagt over onethisch en kwetsend gedrag. Zij heeft op 28 oktober 2013 een e-mail gestuurd naar verweerster met een klacht over ongelijke behandeling in verband met extra eisen die werden gesteld aan haar declaraties. De promotor van verzoekster heeft eveneens geklaagd over discriminatie van verzoekster. Hij licht toe dat het beeld zich naarmate de tijd vorderde verbreedde. Terugkijkend laat de gang van zaken omtrent verzoeksters promotie, het integriteitsonderzoek, de berichtgeving over verzoekster en de behandeling die haar van de zijde van verweerster ten deel is gevallen na haar promotie inclusief de weigering haar arbeidsovereenkomst te verlengen een beeld zien dat nooit eerder zo is voorgekomen. De enige verklaring voor de afwijkende gang van zaken ten aanzien van verzoekster is dat zij als eerste, jonge Marokkaanse onderzoekster aan de faculteit promoveerde en een groot aantal publicaties op haar naam had staan. Hij heeft bij verweerster aangegeven dat sprake was van discriminatie, maar dat is weggewimpeld. Ook heeft hij – bij brief van 21 augustus 2014 - bij de rector geklaagd over discriminatie toen verzoeksters contract niet werd verlengd. De promotor merkt op dat het een gemis is dat verweerster geen duidelijke procedure heeft voor het uiten van dit soort klachten. Verweerster heeft wel een ombudsman en kent een klachtenregeling, maar voor een discriminatieklacht zijn de lijnen niet helder.

 

Wat verweerster stelt

 

3.49 Verzoekster heeft weliswaar aangegeven dat de anonieme melder wellicht discriminerende motieven had, maar verweerster heeft dat niet opgevat als een discriminatieklacht die onderzocht moest worden. Alles wat de promotor van verzoekster heeft aangevoerd, heeft verweerster met hem besproken. Voor zover hij sprak over discriminatie, heeft verweerster dit opgevat als discriminerend handelen door de anonieme melder. Hierop heeft verweerster duidelijk geantwoord: dit kunnen wij niet achterhalen. Verweerster heeft de identiteit van de anonieme melder wel degelijk getracht te achterhalen, maar dat is niet gelukt. Verweerster heeft van de promotor geen klacht ontvangen over discriminatie door verweerster zelf.

 

Beoordeling door het College

 

3.50 Het College is van oordeel dat de betreffende brieven dan wel e-mails van verzoekster niet zijn aan te merken als discriminatieklachten. Zo betreft de e-mail van verzoekster van 28 januari 2014 een klacht over het handelen van een derde die in Turkije zou wonen. Verzoekster schrijft: “(…) Zoals beloofd stuur ik u hieronder twee e-mail voorbeelden van stalking en smaad van de Turkse dame uit Istanbul. (…) Ik heb dit meerdere malen aangekaart, maar helaas is er niets meegedaan door de decaan.(…).” Het College overweegt dat, nu verzoekster klaagt over het handelen van een onbekende derde, voor verweerster geen onderzoekplicht volgde uit hoofde van de gelijkebehandelingswetgeving. Dat geldt ook voor de keer dat verzoekster mondeling zou hebben geklaagd bij de decaan over discriminatie door de anonieme melder. Dat leidt niet tot een onderzoekplicht voor de werkgever.

 

3.51 In een e-mail van 28 april 2014 schrijft verzoekster dat zij de behandeling die haar ten deel is gevallen, als kwetsend en onethisch heeft ervaren. Los van de vraag of verweerster uit anderen hoofde op deze klacht had moeten reageren, lag hiermee naar het oordeel van het College geen klacht over discriminatie voor. Verzoekster geeft in de e-mail niet aan dat er op enige manier sprake is geweest van discriminatie op een van de wettelijk beschermde gronden. In de e-mail van 24 oktober 2014 klaagt verzoekster erover dat de wijze waarop verweerster haar declaraties behandelt “ongelijke behandeling (noem het pesterij)” betreft. Het College is van oordeel dat hoewel verzoekster ongelijke behandeling noemt, zij hiermee geen discriminatieklacht heeft ingediend. Althans, verweerster heeft dit schrijven naar het oordeel van het College niet als een discriminatieklacht hoeven op te vatten nu de bewoordingen algemeen gekozen zijn en niet zijn toegespitst op één of meer discriminatiegronden en deze laatste ook niet kunnen worden afgeleid uit de context van de e-mail.

 

3.52 Voor wat betreft de klachten van de promotor van verzoekster over discriminatie overweegt het College als volgt. Het College stelt vast dat uit de verklaringen van beide partijen volgt dat hij heeft geklaagd over discriminerend handelen door de anonieme melder. Het College is van oordeel dat voor verweerster hieruit, nu het om het handelen van een onbekende derde persoon gaat, geen onderzoekplicht volgde. In zijn brief van 21 augustus 2014 schrijft de promotor aan verweerster, kort gezegd, dat het niet aangaan van een arbeidsovereenkomst met verzoekster “riekt naar discriminatie”. Ook hier is het College van oordeel dat geen discriminatieklacht voorlag ten aanzien waarvan verweerster een onderzoeksplicht had richting verzoekster. Zo betreft het een schrijven van de promotor dat niet namens verzoekster was opgesteld. Daarenboven gaat het om één zin, in algemene bewoordingen, die niet is toegespitst op een bepaalde discriminatiegrond en die niet toelicht wat er discriminerend is aan het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. Daarom is naar het oordeel van het College geen sprake van een discriminatieklacht in de zin van de gelijkebehandelingswetgeving.

 

3.53 Het College is op grond van voorgaande van oordeel dat niet is gebleken dat verweerster jegens verzoekster onderscheid heeft gemaakt bij de klachtbehandeling.

 

 

4 Oordeel

 

Het College voor de Rechten van de Mens spreekt als zijn oordeel uit dat niet is gebleken dat Stichting VU-VUmc jegens [. . .] onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, geslacht, godsdienst en/of leeftijd:

- door haar handelwijze naar aanleiding van anonieme meldingen;

- door informatie te verstrekken aan een journalist;

- bij het (niet)verstrekken van een gastvrijheidsverklaring, de wijze waarop verzoeksters declaraties zijn behandeld en bij het niet aangaan van een arbeidsverhouding;

- klachten van verzoekster over discriminatie niet zorgvuldig te behandelen.

Het College voor de Rechten van de Mens spreekt verder als zijn oordeel uit dat Stichting VU-VUmc jegens [. . .] verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van ras en godsdienst door niet te onderzoeken welke mogelijkheden er waren om haar te beschermen tegen mediapublicaties met een discriminerend karakter.

Aldus gegeven te Utrecht op 24 juli 2015 door mr. E.J.M. Hofhuis, voorzitter,

mr. dr. C.M. van Eck en mr. D. Ghidei, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Hester, secretaris.

 

 

mr. E.J.M. Hofhuis  

namens deze,

mr. M.A. de Groot

secretaris 

mr. S.B. Hester

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: