Oordelen

GGD Hart voor Brabant hoeft medewerkster niet te verplichten mannen een hand te geven.

Oordeelnummer 2015-76
30-06-2015
Geslacht
lees verder

Samenvatting

Situatie

Een man ging met zijn zoon en vrouw naar de GGD in verband met een onderzoek van zijn zoon. Toen zij aankwamen, kregen zijn zoon en vrouw een hand van de medewerkster die het onderzoek zou uitvoeren. De man kreeg geen hand. De medewerkster vertelde hem dat zij vanwege haar islamitische geloofsovertuiging mannen geen hand geeft. De man voelt zich hierdoor gediscrimineerd. Hij vindt dat iedereen de algemeen geldende fatsoensnormen moet naleven en dat een hand geven daarbij hoort. Volgens de GGD is de man niet gediscrimineerd.

De GGD licht toe dat sprake was van een botsing van grondrechten. In dit geval ging het belang van de medewerkster voor dat van de man.

Beoordeling

Het College overweegt dat het geven van een hand in Nederland een zeer gebruikelijke manier van begroeten is. Maar er zijn in de Nederlandse samenleving ook groepen voor wie dit niet het geval is. Zo zou de medewerkster in strijd met haar geloofsovertuiging handelen als zij mannen een hand geeft. Verder is het College van oordeel dat iemand ook respectvol kan worden begroet zonder dat hij een hand krijgt. In dit geval stond de GGD voor een dilemma. Door de medewerkster toe te staan dat zij alleen mannen geen hand geeft, wordt de man gediscrimineerd op grond van zijn geslacht. Maar als de GGD de medewerkster verplicht om mannen een hand te geven, discrimineert de GGD haar op grond van haar godsdienst. De medewerkster zou dan immers bij haar werk begroetingsvormen in acht moeten nemen die in strijd zijn met haar geloofsovertuiging, of zij zou niet in aanmerking komen voor de functie. Er is dus sprake van een botsing van grondrechten. Als er sprake is van botsing van twee grondrechten, kan niet op voorhand worden gezegd dat het ene recht zwaarder weegt dan het andere. Welk recht zwaarder weegt is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het College oordeelt dat in deze zaak het recht van de medewerksters om niet te worden gediscrimineerd op grond van haar godsdienst zwaarder weegt dan het recht van de man om niet gediscrimineerd te worden op grond van zijn geslacht. Het College weegt hierbij mee dat de GGD aan de man geen dienst heeft geweigerd. Ook was er ruimte voor uitleg van de manier van begroeten: de medewerkster heeft de man kunnen vertellen waarom zij geen handen schudt met mannen. Daarnaast weegt mee dat een andere beslissing van de GGD ertoe zou hebben geleid dat de medewerkster ofwel in strijd met haar geloofsovertuiging zou hebben moeten handelen, ofwel uitgesloten zou zijn van deze baan. Tot slot is in de Dienstenrichtlijn bepaald dat bij het verbod van discriminatie op grond van geslacht bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten de godsdienstvrijheid wordt geëerbiedigd.

Oordeel

Het College voor de Rechten van de Mens oordeelt dat GGD Hart voor Brabant jegens de man geen verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij het aanbieden van diensten.