Oordelen

GGD Hart voor Brabant hoeft medewerkster niet te verplichten mannen een hand te geven.

Oordeelnummer 2015-76
30-06-2015
Geslacht

Volledig oordeel

 

 

Oordeel

2015-76

 

 

Datum: 30 juni 2015

Dossiernummer: 2014-0415

 

 

Oordeel in de zaak van

 

[. . . .]

wonende te [. . . .], verzoeker

 

tegen

 

GGD Hart voor Brabant

gevestigd te Tilburg, verweerder

 

 

1 Procesverloop

 

1.1 Bij verzoekschrift van 1 december 2015, dat op dezelfde dag is ontvangen, heeft verzoeker het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) gevraagd te onderzoeken of verweerder jegens hem (verboden) onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt door de wijze waarop hij door een van zijn medewerkers is bejegend.

 

1.2 Het verweerschrift van verweerder is op 12 januari 2015 ontvangen.

 

1.3 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2015. Partijen zijn verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door[. . . .], regiomanager, die werd vergezeld door [. . . .], HR adviseur.

 

 

2 Feiten

 

2.1 Verweerder, een publiekrechtelijke rechtspersoon, is de gezondheidsdienst voor 28 gemeenten in de regio’s Brabant-Noord en Midden-Brabant die tot taak heeft het bewaken en bevorderen van de gezondheid van de bevolking.

 

2.2 Ingevolge artikel 5 van de Wet publieke gezondheid (hierna: de Wpg) draagt het college van burgemeester en wethouders onder meer zorg voor het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van jeugdigen en van gezondheidsbevorderende en -bedreigende factoren.

 

2.3 Ingevolge artikel 14 van de Wpg dragen de gemeenten via het treffen van een gemeenschappelijke regeling zorg voor de instelling en instandhouding van gemeentelijke gezondheidsdiensten. Voor verweerder geldt de Gemeenschappelijke regeling GGD Hart voor Brabant (hierna: de Gemeenschappelijke regeling).

 

2.4 De taken van verweerder zijn vastgelegd in artikel 4 van de Gemeenschappelijke regeling. Hierin is, voor zover relevant, bepaald dat de gemeenten de uitvoering van de gemeentelijke taken die worden genoemd in de Wpg aan verweerder hebben opgedragen. Het algemeen bestuur van verweerder heeft de expliciete bevoegdheid om zelf de omvang en de inhoud van het pakket bij te stellen als hij dat nodig acht.

 

2.5 Verzoeker heeft eind 2013 in het kader van een regulier tieneronderzoek een uitnodiging ontvangen van een medewerkster van verweerder voor een gesprek op 8 januari 2014. Bij aankomst heeft de betreffende medewerkster (hierna: de medewerkster) verzoeker geen hand gegeven en hem daarbij verteld dat zij vanwege haar islamitische geloofsovertuiging geen handen schudt met personen van het andere geslacht.

 

2.6 Bij brief van 20 januari 2014 heeft verzoeker bij verweerder een klacht ingediend over het handelen van de medewerkster.

 

2.7 Op 29 januari 2014 heeft de regiomanager van verweerder telefonisch gereageerd op de klacht van verzoeker en heeft zij verzoeker verteld dat er geen aanleiding is om het gedrag van de medewerkster te verbieden.

 

2.8 Naar aanleiding van de reactie van de regiomanager heeft verzoeker bij brief van 12 maart 2014 zijn klacht ingediend bij verweerder.

 

2.9 Bij brief van 9 april 2014 heeft verweerder gereageerd op de klacht van verzoeker. Hierin staat, voor zover relevant:

 "[..] Het gaat hier om een klacht over een gedraging van een van onze medewerkers en wij beoordelen deze klacht dan ook vanuit onze rol als werkgever. In dit geval constateren we dat er sprake is van een botsing van grondrechten, wat een beoordeling per geval nodig maakt. Wij zijn van mening dat het begroeten van klanten een zwaarwegende maatschappelijke conventie is. Maar de wijze waarop deze begroeting plaatsvindt is van een andere orde dan het beginsel dat er begroet moet worden: deze kan variëren en is afhankelijk van de context. Onze maatschappij is nu eenmaal divers en wij hebben ook een diversiteit in de samenstelling van ons personeel. We denken dan ook dat handen schudden niet per se de (enige) vorm van begroeten is. In dit geval heeft onze medewerker u op een andere manier begroet en hier ook een uitleg voor gegeven [...]".

 

 

3 Beoordeling van het verzoek

 

3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerder jegens verzoeker (verboden) onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij het aanbieden van diensten door de wijze waarop verzoeker is bejegend door een van zijn medewerkers.

 

Bevoegdheid

 

3.2 Verweerder functioneert binnen de gemeentelijke kaders als een zelfstandige organisatie. Zijn takenpakket is globaal vastgelegd in de Gemeenschappelijke regeling. De feitelijke activiteiten van verweerder vinden plaats op het terrein van de gezondheidszorg, zo ook zijn activiteiten in het kader van een regulier tieneronderzoek dat preventief wordt uitgevoerd bij kinderen tot en met 18 jaar. Het College concludeert dat de activiteiten van verweerder in het kader van het tieneronderzoek beschouwd kunnen worden als dienstverlening als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het handelen van verweerder valt onder de reikwijdte van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, AWGB. Het College is daarom bevoegd het handelen van verweerder te beoordelen.

 

Juridisch kader

 

3.3 In artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, AWGB is bepaald dat onderscheid op grond van geslacht verboden is bij het aanbieden van en het verlenen van toegang tot goederen en diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt door instellingen die werkzaam zijn op het gebeid van gezondheidszorg. Onder deze bepaling valt mede de verplichting voor aanbieders van goederen en diensten om zich te onthouden van discriminatoire bejegening. In dit kader dienen deze aanbieders er op toe te zien dat ook degenen over wie zij gezag uitoefenen zich onthouden van discriminatoire bejegening (zie onder meer College voor de Rechten van de Mens, 16 december 2013, 2013-165, overweging 3.3)

 

3.4 Het bij begroetingen niet geven van een hand aan een persoon van het andere geslacht is een gedraging waarmee iemand uitdrukking kan geven aan zijn of haar islamitische geloofsovertuiging en daarmee een gedraging die valt onder het begrip godsdienst, zoals beschermd door de AWGB (vergelijk College voor de Rechten van de Mens, 7 augustus 2014, 2014-93, overweging 3.5).

 

Is er sprake van (verboden) onderscheid op grond van geslacht?

 

3.5 Verzoeker stelt dat verweerder jegens hem onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd. Hij was op uitnodiging van de betreffende medewerkster op de middelbare school van zijn 13-jarige zoon. Dit was in het kader van een regulier tieneronderzoek, dat bij alle tweedeklassers plaatsvond. Bij het welkom heten, weigerde de medewerkster zijn uitgestoken hand terwijl zij wel de hand schudde van zijn echtgenote en van zijn zoon. Verzoeker voelde zich hierdoor gefrustreerd. Op de vraag van de medewerkster of hij wilde begrijpen dat in haar geloofsopvatting mannen aanraken niet kan, antwoordde verzoeker ontkennend. Hij vertelde haar dat hij dat niet begreep van iemand die in het publieke domein werkzaam is. Het vervolg van het gesprek verliep zakelijk en koel. Verzoeker is van menig dat iedereen de algemeen geldende fatsoensnormen moet naleven. Een hand geven hoort daar bij. Hoewel verzoeker verder door de medewerkster vriendelijk is bejegend, is hij van mening dat het niet geven van een hand niet respectvol is. Het College vat dit op als een klacht van verzoeker dat hij door de medewerkster bij de begroeting gediscrimineerd is vanwege het feit dat hij een man is.

 

3.6 Verweerder betwist dat hij onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd. Met toestemming van verweerder schudt de medewerkster mannen niet de hand vanwege haar geloofsovertuiging. Verweerder is van mening dat respectvol benaderen niet alleen te bereiken is door een hand te geven, gezien de diversiteit in de maatschappij en in de samenstelling van zijn personeel. De medewerkster had verzoeker op een andere manier begroet en daar ook een uitleg over gegeven. Zij deed dit op een respectvolle manier. De klacht van verzoeker is de eerste klacht die verweerder heeft ontvangen over het niet geven van een hand. Hij probeerde een goede oplossing te vinden voor het probleem dat verzoeker had ervaren. Met hem is gesproken over de verschillende manieren van correct begroeten.

Daarnaast stelde verweerder aan hem voor zijn contact via een andere GGD-medewerker te laten verlopen. Verweerder meent dat hij daarmee het noodzakelijke en het mogelijke gedaan heeft om tot een redelijke oplossing van de situatie te komen.

 

3.7 Ten aanzien van de vraag of verweerder (verboden) onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt jegens verzoeker, overweegt het College als volgt.

 

3.8 Het College stelt voorop dat aan verweerder binnen de grenzen van het recht de vrijheid toekomt om te bepalen welke omgangsvormen zijn medewerkers bij de begroeting van cliënten in acht moeten nemen. Het is niet aan het College om te bepalen hoe aan deze vrijheid invulling moet worden gegeven. Naar het oordeel van het College is het in de eerste plaats aan verweerder om zijn beleid hieromtrent te bepalen. Voor het College is slechts de taak weggelegd om te beoordelen of verweerder daarbij in strijd met de gelijkebehandelingswetgeving handelt (zie Commissie Gelijke Behandeling (CGB), thans College, 22 maart 2012, 2012-54, overweging 3.15).

 

3.9 Verzoeker heeft naar voren gebracht dat het geven van een hand hoort bij de voor iedereen geldende fatsoensnormen en dat het niet geven van een hand niet respectvol is. Het College volgt verzoeker hierin slechts in zoverre dat het geven van een hand in Nederland een zeer gebruikelijke manier van begroeten is. Het is evenwel een feit van algemene bekendheid dat er in de Nederlandse samenleving ook groepen zijn voor wie dit niet de gebruikelijke manier van begroeten is. Zo geldt voor de medewerkster in kwestie dat het geven van een hand aan een persoon van het andere geslacht in strijd komt met haar geloofsovertuiging. Voorts mag in zijn algemeenheid weliswaar worden aangenomen dat de binnen een bepaald deel van de samenleving gebruikelijke manier van begroeten door dat deel zelf als respectvol wordt beschouwd, maar hieruit kan niet de conclusie worden getrokken, zoals verzoeker doet, dat het op een andere manier begroeten die in een ander deel van de samenleving gebruikelijk is, niet respectvol is.

 

3.10 Voorts overweegt het College dat ook als de manier van begroeten van de medewerkster als respectvol beschouwd kan worden - en van het tegendeel is niet gebleken - daarmee nog niet gegeven is dat deze manier van begroeten niet discriminerend is. Al eerder heeft de voorganger van het College geoordeeld dat de weigering om personen van het andere geslacht de hand te schudden, opgevat kan worden als een ontkenning van de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, en dus als discriminatie op grond van geslacht (zie CGB, 7 november 2006, 2006-220, overweging 3.4). Nu verweerder de medewerkster heeft toegestaan om verzoeker op deze manier te begroeten, heeft zij jegens verzoeker onderscheid op grond van geslacht gemaakt.

 

3.11 Het College stelt vast dat verweerder zijn beslissing om de begroetingswijze van de medewerkster toe te staan, gebaseerd heeft op een belangenafweging. Jegens de man leidt de beslissing tot onderscheid op grond van geslacht. Maar jegens de medewerkster zou verweerder onderscheid op grond van godsdienst hebben gemaakt als hij van de medewerkster zou eisen bij de begroeting ook mannen de hand te schudden. De medewerkster had dan bij haar werk begroetingsvormen in acht moeten nemen die in strijd zijn met haar geloofsovertuiging, dan wel zou zij zijn uitgesloten van deze baan bij verweerder. Zowel het belang van verzoeker als dat van de medewerkster wordt beschermd door de AWGB. Hieronder zal het College onderzoeken of verweerder een redelijke afweging heeft gemaakt door het belang van de medewerkster te laten prevaleren.

 

3.12 Als er sprake is van botsing van twee grondrechten, kan niet op voorhand worden gezegd dat het ene recht zwaarder weegt dan het andere. Welk recht zwaarder weegt is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het College is van oordeel dat in de onderhavige zaak het belang van de medewerkster zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. Hiertoe is het volgende van belang. Aan verzoeker is de dienst als zodanig niet geweigerd. Hij heeft als eenieder, ten behoeve van zijn zoon, gebruik kunnen maken van de diensten van verweerder. Daarnaast biedt de context waarin betrokkenen met elkaar in contact waren, ruimte voor uitleg van de manier van begroeten. Verweerder verlangt ook uitdrukkelijk van de betrokken medewerkster dat zij uitlegt waarom zij mannen geen hand geeft. In de onderhavige zaak heeft de medewerkster die uitleg aan verzoeker ook gegeven. Voorts dient meegewogen te worden dat, zoals al aangegeven, een andere beslissing van verweerder ertoe geleid zou hebben dat de medewerkster hetzij in strijd met haar geloofsovertuiging zou hebben moeten handelen, hetzij uitgesloten zou zijn van deze baan. Ten slotte overweegt het College dat overweging 3 van de preambule bij Richtlijn 2004/113/EG (de Dienstenrichtlijn) uitdrukkelijk bepaalt dat bij het verbod van discriminatie op grond van geslacht bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten de godsdienstvrijheid wordt geëerbiedigd. Alles overziende, concludeert het College dat verweerder een redelijke afweging heeft gemaakt door het belang van de medewerkster zwaarder te laten wegen dan het belang van verzoeker. Van belang hierbij is dat niet gebleken is van een alternatieve manier van begroeten die niet discriminerend is. In genoemd oordeel heeft de CGB tevens overwogen dat verzoekster geen onderscheid zou maken als zij zowel mannen als vrouwen bij de begroeting niet de hand zou schudden. Het College ziet aanleiding dit onderdeel van het oordeel thans te nuanceren. Het ook niet schudden (in de onderhavige zaak) door de medewerkster van de hand van vrouwelijke cliënten zal immers bij een mannelijke cliënt niet het vermoeden wegnemen dat de medewerkster bij de begroeting niemand een hand geeft, omdat hij als man daarbij aanwezig is. Aldus zou aan de begroetingswijze van de medewerkster onvoldoende het discriminatoire karakter worden ontnomen om van een niet-discriminerend alternatief te kunnen spreken. Het College acht dan ook het door verweerder jegens verzoeker gemaakte onderscheid op grond van geslacht niet verboden.

 

3.13 Op grond van het voorgaande komt het College tot het oordeel dat verweerder geen verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt door zijn medewerkster toe te staan geen handen te schudden met personen van het andere geslacht.

 

 

4 Oordeel

 

Het College voor de Rechten van de Mens spreekt als zijn oordeel uit dat GGD Hart voor Brabant jegens [. . . .] geen verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij het aanbieden van diensten.

 

Aldus gegeven te Utrecht op 30 juni 2015 door mr. E.J.M. Hofhuis,voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N. Günes, secretaris.

 

 

mr. E.J.M. Hofhuis     

 

mr. N. Günes

 

 

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: