Oordelen

Groenewegen en Partners Gerechtsdeurwaarders B.V. hebben verboden direct onderscheid op grond van godsdienst gemaakt door een werknemer niet toe te staan een hoofddoek te dragen op het werk.

Oordeelnummer 2013-28
12-03-2013
Godsdienst
lees verder

Samenvatting

Situatie

Een vrouw is moslim en werkt als accountmanager handelsincasso bij Groenewegen en Partners Gerechtsdeurwaarders B.V. Tijdens een periode van ziekte heeft de vrouw besloten om in verband met haar geloof een hoofddoek te gaan dragen. Toen zij wilde re-integreren bij de werkgever, heeft deze haar gevraagd om haar hoofddoek af te doen. De werkgever heeft hiervoor verwezen naar zijn kledingvoorschrift. Hierin is geregeld dat uitingen van geloofsovertuiging niet mogen. Ook is hierin geregeld dat het dragen van hoofdbedekking niet mag.

De vrouw wilde haar hoofddoek niet afdoen en is gestopt met de re-integratie. Zij vindt dat haar werkgever tegenover haar verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt.

Oordeel

Het College voor de Rechten van de Mens spreekt als zijn oordeel uit dat Groenewegen en Partners Gerechtsdeurwaarders B.V. jegens de vrouw verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden.

Toelichting

Het College is van oordeel dat de werkgever tegenover de vrouw verboden direct onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt. In het kledingvoorschrift worden namelijk godsdienstige uitingen, zoals het dragen van een hoofddoek, rechtstreeks verboden.

Het College besteedt ook aandacht aan de situatie dat de werkgever het kledingvoorschrift zou veranderen en alleen het dragen van hoofdbedekking verboden zou zijn. Het College is van oordeel dat de werkgever hiermee indirect onderscheid op grond van godsdienst zou maken. Door het verbod een hoofdbedekking te dragen worden mensen bijzonder getroffen die vanwege hun geloofsovertuiging een hoofdbedekking dragen, zoals de vrouw.

Indirect onderscheid is niet verboden als de werkgever hiervoor een goede reden heeft.

De werkgever heeft aangevoerd dat zijn medewerkers er neutraal moeten uitzien, omdat hij als gerechtsdeurwaarders overheidsgezag uitoefent. Ook vindt de werkgever dat zijn personeel er representatief moet uitzien, dat wil zeggen een professionele uitstraling moet hebben. Het College is van oordeel dat dit geen goede redenen zijn voor het indirecte onderscheid. Hierbij oordeelt College dat het belang van de werkgever dat al zijn werknemers een neutrale uitstraling hebben minder zwaarder weegt dan het nadeel dat een medewerker ondervindt, zoals de vrouw, als wordt geëist geen hoofdbedekking te dragen. Bovendien zijn bij de werkgever ook medewerkers in dienst die niet zijn betrokken bij deurwaarderstaken, waaraan overheidsgezag te pas komt. Dit is ook het geval bij de vrouw in haar werk als accountmanager handelsincasso.

Verder oordeelt het College dat de werkgever geen redenen heeft aangedragen waaruit blijkt dat zijn medewerkers geen professionele uitstraling hebben als zij een hoofddoek dragen.

Het College oordeelt dan ook dat de werkgever geen goede reden heeft voor het indirecte onderscheid dat hij zou maken bij aanpassing van het kledingreglement.

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: