Oordelen

De partijen bij de CAO Nederlandse Podia hebben geen verboden onderscheid gemaakt op grond van arbeidsduur door een oproepkracht uit te sluiten van het recht op onregelmatigheidstoeslag, maar hebben wel verboden onderscheid gemaakt door de oproepkracht uit te sluiten van het recht op een gratificatie.

Oordeelnummer 2012-136
06-08-2012
Arbeidsduur
lees verder

Samenvatting

Situatie

Een man werkt bij een theater. Als oproepkracht is hij op grond van de CAO Nederlandse Podia uitgesloten geweest van het recht op onregelmatigheidstoeslag en van het recht op een gratificatie. Hij stelt dat de partijen bij de CAO hiermee verboden onderscheid op grond van arbeidsduur hebben gemaakt.

Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat de partijen bij de CAO Nederlandse Podia jegens de man geen verboden onderscheid hebben gemaakt op grond van arbeidsduur door hem als oproepkracht uit te sluiten van het recht op onregelmatigheidstoeslag en verboden onderscheid hebben gemaakt op grond van arbeidsduur door hem als oproepkracht uit te sluiten van het recht op de gratificatie.

Toelichting

De Commissie stelt vast dat de verschillen die bestaan tussen de arbeidsovereenkomst van de oproepkracht en die van de voltijder zich er niet tegen verzetten dat de oproepkracht zich met een voltijder kan vergelijken bij de vraag of onderscheid wordt gemaakt naar arbeidsduur. Aangezien de man als oproepkracht die feitelijk in deeltijd werkt geen onregelmatigheidstoeslag en geen gratificatie heeft ontvangen, heeft hij nadeel geleden ten opzichte van een voltijder, die deze wel heeft ontvangen. Het doel van het onderscheid dat de CAO-partijen maken bij de onregelmatigheidstoeslag is het belonen van mensen voor wie de gewerkte uren onregelmatig zijn en die niet kunnen weigeren om op onregelmatige uren te werken. Dit doel is legitiem. Om het doel te bereiken kent de CAO een onregelmatigheidstoeslag toe aan werknemers die als regel een zeker percentage van de met hen overeengekomen arbeidsduur op onregelmatige uren werken en die een oproep om op deze uren te werken niet kunnen weigeren. Het middel is geschikt om het doel te bereiken en is daarom passend. Met betrekking tot de noodzakelijkheid van het middel overweegt de Commissie dat van alternatieve middelen waarmee het doel ook kan worden bereikt, niet is gebleken. De oproepkracht kan in voorkomend geval weigeren om op onregelmatige uren te werken. Zijn belang bij toekenning van de onregelmatigheidstoeslag weegt daarom niet op tegen het belang dat werkgevers hebben bij het in dienst hebben en houden van mensen aan wie zij kunnen opdragen om op onregelmatige uren te werken. De uitsluiting van oproepkrachten staat daarom in evenredige verhouding tot het doel dat de CAO-partijen nastreven. Voor wat betreft de onregelmatigheidstoeslag is het gemaakte onderscheid daarom objectief gerechtvaardigd, en dus niet verboden. Het doel van het onderscheid dat de CAO-partijen maken bij de gratificatie is het voorkomen van administratieve lasten. Dit doel is legitiem. De CAO-partijen hebben niet aannemelijk gemaakt dat er geen passende alternatieve middelen zijn om het doel te bereiken en dat het onderscheid in evenredige verhouding staat tot het doel. Niet gebleken is waarom de gratificatie van € 400,- per jaar bij een volledig dienstverband, niet gestaffeld toegekend zou kunnen worden, waarbij aan oproepkrachten bijvoorbeeld een bedrag van € 100,- wordt toegekend. De administratieve lasten hiervan zijn gering. De Commissie concludeert daarom dat het onderscheid dat de CAO-partijen jegens de man hebben gemaakt door hem als oproepkracht niet in aanmerking te laten komen voor de gratificatie niet objectief gerechtvaardigd is. Daarom is op dit punt sprake van verboden onderscheid.

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: