Oordelen

Een man is gediscrimineerd vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Werkgever is hier onvoldoende tegen opgetreden. Niet is gebleken dat de man ook is gediscrimineerd vanwege zijn afkomst.

Oordeelnummer 2011-128
16-08-2011
lees verder

Samenvatting

 

Situatie

Een man van niet-Nederlandse afkomst werkt als leerling-zorgkundige bij de Stichting MagentaZorg, een welzijns- en zorginstelling. Hij volgt een “werk-leren” traject en voert de praktijkwerkzaamheden uit op een van de locaties van de instelling. De man stelt dat hij door collega’s werd gediscrimineerd vanwege zijn seksuele gerichtheid en dat de leidinggevende hen daar niet op aansprak. Ook voelt de man zich door collega’s en de leidinggevende gediscrimineerd vanwege zijn afkomst. De instelling ontkent dat er in haar organisatie wordt gediscrimineerd en dat zij bekend was met de klachten van de man over discriminatie. De man vraagt de Commissie te onderzoeken of de instelling jegens hem onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid en/of ras.

 

Oordeel

De Commissie oordeelt dat de zorginstelling verboden onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt bij de arbeidsomstandigheden door onvoldoende zorg te dragen voor een discriminatievrije werkvloer. De Commissie is van oordeel dat niet is gebleken dat de instelling onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij de arbeidsomstandigheden.

 

Toelichting

Een werkgever is verplicht zorg te dragen voor een discriminatievrije werkvloer. Dit houdt onder meer in dat een werkgever er op dient toe te zien dat leidinggevenden en werknemers zich onthouden van discriminatie. Hierbij is van belang dat het handelen van een leidinggevende rechtstreeks wordt toegerekend aan de werkgever.

De man stelt dat collega’s discriminatoire opmerkingen over zijn seksuele gerichtheid hebben gemaakt en dat de leidinggevende hen daar niet op heeft aangesproken. De man heeft ter onderbouwing hiervan drie schriftelijke verklaringen van in totaal vijf collega’s aan de Commissie overgelegd. De Commissie stelt vast dat in een van de verklaringen wordt aangegeven dat er vaak grapjes richting de man werden gemaakt over zijn homoseksuele gerichtheid en dat de leidinggevende die hierbij aanwezig was, daar niet tegen optrad. Nu de instelling niets heeft aangevoerd dat als tegenbewijs zou kunnen dienen en het handelen van de leidinggevende rechtstreeks kan worden toegerekend aan de instelling is er sprake van verboden onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid. Ten aanzien van de grond ras oordeelt de Commissie dat geen feiten zijn komen vast te staan die kunnen doen vermoeden dat de leidinggevende hem discriminatoir bejegend heeft of dat de leidinggevende op de hoogte was van discriminatie op grond van ras door collega’s.

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: