Oordelen

Stichting voor Bijzonder Primair Onderwijs in de Zaanstreek, Agora, maakt verboden direct onderscheid op grond van godsdienst en burgerlijke staat bij de afwijzing van een sollicitant voor de functie docent bewegingsonderwijs.

Oordeelnummer 2011-102
01-07-2011
lees verder

Samenvatting

Situatie

Een vrouw heeft gesolliciteerd als docent bewegingsonderwijs bij een evangelische basisschool, die valt onder het bevoegd gezag van de stichting. De vrouw was op dat moment op wereldreis samen met haar vriend. Naar aanleiding van haar sollicitatie heeft zij per e-mail en telefoon contact gehad met de directeur van de basisschool, onder meer over het lesrooster. Dat is aan de wensen van de vrouw aangepast. Na terugkomst van haar wereldreis heeft er een sollicitatiegesprek plaatsgevonden met de sollicitatiecommissie. Daarin is gesproken over het ongehuwd reizen met haar vriend, haar Godsbeeld en het lidmaatschap van een kerk of gemeente. Na het sollicitatiegesprek liet de directeur haar weten dat het ongehuwd samen reizen een probleem was. Nog dezelfde avond heeft de directeur de vrouw meegedeeld dat ze is afgewezen voor de functie van docent bewegingsonderwijs, omdat ze ongehuwd op reis is geweest met haar vriend.

Oordeel

De Commissie oordeelt dat de basisschool bij de afwijzing van de vrouw voor de functie van docent bewegingsonderwijs verboden direct onderscheid op grond van godsdienst en burgerlijke staat heeft gemaakt.

Toelichting

De vrouw vindt de afwijzing op grond van het ongehuwd samen reizen onderscheid naar godsdienst en burgerlijke staat. De basisschool heeft hier tegenover gesteld dat het ongehuwd samen reizen niet de enige reden was om haar af te wijzen. Wel was dat aanleiding om door te vragen op andere punten. Zo kwam ook het Godsbeeld van de vrouw niet overeen met dat van de basisschool en was de vrouw niet aangesloten bij een kerk of gemeente, wat voor de basisschool wel heel belangrijk is.

Onderscheid op grond van godsdienst

De Commissie stelt vast dat de basisschool onvoldoende vertrouwen had dat de vrouw de evangelische grondslag van de school overtuigend kon uitdragen, omdat zij meent dat de vrouw deze grondslag op essentiële punten niet deelt. Door bij de afwijzing direct naar de geloofsovertuiging en geloofsopvattingen van de vrouw te verwijzen maakt de school direct onderscheid op grond van godsdienst.

Uitzondering voor evangelische school?

Voor scholen van bijzonder onderwijs, waaronder evangelische basisscholen, kent de wet een uitzondering op het verbod van direct onderscheid op grond van godsdienst. Dergelijke scholen mogen functie-eisen stellen aan sollicitanten, als die functie-eisen nodig zijn voor de verwezenlijking van de grondslag van de school. Deze functie-eisen mogen alleen niet leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van (onder meer) burgerlijke staat. De evangelische school geeft in de dagelijkse praktijk uiting aan de grondslag. Daarom mag zij als functie-eis, namelijk het onderschrijven en uitdragen van de grondslag, als noodzakelijk ter verwezenlijking van de grondslag stellen. Ook voor de docent bewegingsonderwijs geldt dat hij of zij op ieder moment, en dus niet alleen in de lessen, de grondslag moet uitdragen en overbrengen op de leerlingen.

Enkele feit van burgerlijke staat

Voor de basisschool is het huwelijk de enige samenlevingsvorm tussen man en vrouw. De Commissie leidt hieruit af dat het ongehuwd met haar vriend op reis gaan, voor de basisschool op zichzelf al reden is voor de afwijzing. Het ongehuwd samen reizen van de vrouw is onlosmakelijk verbonden met haar burgerlijke staat. De functie-eis die de basisschool stelt, leidt dus tot onderscheid op grond van het enkele feit van burgerlijke staat. Tenzij er sprake is van bijkomende omstandigheden heeft de school daarmee verboden onderscheid gemaakt. Bijkomende omstandigheden moeten relevante feiten zijn die in een zeker verband staan met de burgerlijke staat van de vrouw. En ze moeten betrekking hebben op het functioneren als leerkracht en op het uitdragen van de identiteit van de school. De zienswijze van de vrouw op het huwelijk wijkt af van die van de basisschool. Dit kan niet als bijkomende omstandigheid gelden, omdat anders de enkele-feitconstructie haar beschermende werking verliest. Verder oordeelt de Commissie dat niet als bijkomende omstandigheid kan gelden dat de vrouw vanwege haar geloofsopvattingen minder strikt zou zijn in haar gedrag, namelijk door het niet aangesloten zijn bij een kerk of gemeente. De Commissie heeft al vastgesteld dat dit onderscheid op grond van godsdienst tot gevolg heeft. Dit kan daarom niet ook als bijkomende omstandigheid gelden. Omdat er geen bijkomende omstandigheden zijn, is sprake van onderscheid op grond van het enkele feit van burgerlijke staat. Voor de basisschool geldt de uitzondering in de wet dan ook niet.

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel

Dictum: