Oordelen

Geen onderscheid naar geslacht bij werving en selectie

Oordeelnummer 2000-38
Geslacht

Volledig oordeel

Verzoekster:Stichting Anti-Discriminatie Bureau Zaanstreek

te Zaandam

Wederpartij: Minister van Defensie

te 's-Gravenhage

1.HET VERZOEK

1.1.Op 20 juli 1999 verzocht de Stichting Anti-Discriminatie Bureau Zaanstreek te Zaandam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van Defensie te 's-Gravenhage (hierna: de wederpartij) onderscheid maakt op grond van geslacht als bedoeld in

de Wet Gelijke Behandeling mannen en vrouwen (hierna: WGB).

1.2.Verzoekster heeft geconstateerd dat de wederpartij bij de werving en selectie van marinepersoneel een beleid voert, waarbij vrouwen worden uitgesloten van functies aan boord van onderzeeboten en functies bij het Korps Mariniers. Bovendien heeft verzoekster geconstateerd dat de wederpartij in haar brochure "De Marine in beeld" niet heeft uiteengezet op welke gronden functies bij het Korps Mariniers geslachtsbepaald zouden zijn. Verzoekster is van mening dat het wervings- en selectiebeleid en de brochure in strijd zijn met de WGB.

2.DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1.De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en

een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2.Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze

hebben hun standpunten nader toegelicht tijdens een zitting

op 14 maart 2000.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

- mw. A. van Andel (medewerkster Anti-Discriminatie Bureau

Zaanstreek)

van de kant van de wederpartij

- dhr mr .... (KLTZA, plaatsvervanger hoofd Afdeling

Rechtstoestand)

- dhr .... (KTZ, commandant onderzeedienst)

- dhr .... (LNTKOLMARNS, hoofd van Afdeling Personeel

van het Korps Mariniers)

van de kant van de Commissie

- mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)

- dhr. prof. mr. A.W. Heringa (lid Kamer)

- mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)

- dhr. mr. D.O. Pechler (secretaris Kamer).

2.3.Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3.DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1.Verzoekster is een stichting die zich blijkens haar statuten ten doel stelt het signaleren en bestrijden van discriminatie die plaatsvindt op grond van huidskleur, nationaliteit en culturele achtergrond alsmede op grond van sekse, seksuele geaardheid en religieuze overtuiging. Verzoekster tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door: informatieverstrekking over en aan verschillende bevolkingsgroepen; het signaleren en registreren van discriminatiegevallen en proberen daar een oplossing voor

te vinden; het verlenen van juridische bijstand; het publiceren van de verzamelde gegevens; het ondernemen van acties tegen discriminatie; het samenwerken met landelijke en regionale organisaties op het gebied van discriminatiebestrijding.

3.2.In het 'Plan voor positieve actie voor de integratie van

de vrouw in de krijgsmacht' van februari 1989 (TK 1988-1989, 20800 hfdst X) en de beleidsbrief 'Emancipatie Defensie' van

de Staatssecretaris van Defensie van 25 juni 1997 wordt vermeld dat in beginsel alle functies van de krijgsmacht openstaan voor vrouwen met uitzondering van de onderzeebootdienst en het Korps Mariniers die om praktische redenen gesloten zijn voor vrouwen.

Beide stukken zijn als zodanig aan onder meer de Tweede Kamer verstuurd.

3.3.In de brochure 'De Marine in beeld' van de wederpartij wordt onder meer vermeld dat het Korps Mariniers gezien de specifieke eisen alleen toegankelijk is voor mannen.

De standpunten van partijen

3.4.Verzoekster heeft het volgende aangevoerd.

Naar aanleiding van de brochure "De Marine in beeld" is de wederpartij in 1998 gevraagd toe te lichten op welke grond

het Korps Mariniers alleen toegankelijk is voor mannen.

In haar reactie van 22 december 1998 heeft de wederpartij verwezen naar artikel 1 onder i van het Besluit Beroepsactiviteiten (19 mei 1989, Stb. 207) en naar de Nota

van Toelichting bij voormeld artikel.

Niet is gebleken dat de Minister een schriftelijk besluit

heeft genomen waarbij bepaalde functies als geslachtsbepaald

zijn aangemerkt. In het belang van nationale wetgeving dient

zo'n besluit op schrift te zijn gesteld. Desgevraagd is volgens het Ministerie geen officieel aanwijzingsbesluit genomen om bepaalde beroepsactiviteiten bij de krijgsmacht als geslachtsbepaald te beschouwen.

De beleidsstukken, 'het Plan voor positieve actie voor de integratie van de vrouw in de krijgsmacht' uit 1989 en de beleidsbrief 'Emancipatie Defensie' van 25 juni 1997 kunnen

niet als rechtsgeldige besluiten worden aangemerkt.

Reeds hierom is in strijd met de wetgeving gelijke behandeling gehandeld.

Voor zover alsnog een officieel besluit zou worden genomen

om vrouwen uit te sluiten van bepaalde beroepsactiviteiten,

dan zijn de in de twee beleidsstukken genoemde argumenten

ook in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Ten eerste is blijkens deze stukken het aannemings- en plaatsingsbeleid erop gericht om te voorkomen dat vrouwelijke militairen als eenling binnen een eenheid zouden moeten functioneren. Dit zou namelijk het integratieproces niet ten goede komen.

Ten tweede wordt aangegeven dat toelating van vrouwen tot het Korps Mariniers praktische problemen zal opleveren. De nadere toelichting die voor deze argumenten wordt gegeven, is als volgt. Gezien de zware fysieke en mentale eisen voor de functies zouden weinig vrouwen door de selectie komen. Dat zou betekenen dat een klein aantal vrouwen temidden van een groot aantal mannen moet werken. Omdat er bovendien geen gescheiden faciliteiten geboden kunnen worden, zouden spanningen ontstaan die de operationele inzet van het Korps Mariniers ernstig zouden kunnen verstoren.

Uit jurisprudentie van de Commissie volgt dat uitzonderingen

op het beginsel dat mannen en vrouwen gelijke toegang tot

de arbeidsmarkt dienen te hebben, restrictief moeten worden uitgelegd. Dat volgt evenzeer uit het VN-Vrouwenverdrag van

1971. Nederland heeft daarbij geen voorbehoud gemaakt voor

de toetreding tot de krijgsmacht. Dat voorbehoud blijkt

evenmin uit de brief van de Staatssecretaris van Defensie van

11 december 1985. Integendeel, daarin wordt zelfs opgemerkt

dat 'problemen die eventueel ontstaan doordat vrouwen toetreden tot de krijgsmacht, niet mogen worden opgelost door vrouwen zonder meer de toegang tot functies of functiegebieden, die

als problematisch worden ervaren, te ontzeggen'.

Uit jurisprudentie van de Commissie en de Nota van Toelichting bij het Besluit Beroepsactiviteiten blijkt voorts dat lichaamskracht en uithoudingsvermogen niet als criterium mogen worden gebruikt om vrouwen van een bepaald beroep uit te

sluiten, omdat mannen en vrouwen gelijke lichaamskracht en uithoudingsvermogen kunnen hebben.

Verzoekster is van oordeel dat vrouwen zelf de keus moeten kunnen maken om zwaar lichamelijk werk tussen een meerderheid aan mannen te verrichten zonder dat er gescheiden faciliteiten zijn. Betwist wordt dat dit de integratie niet zal bevorderen en dat een dergelijke situatie tot spanningen zal leiden. Bovendien is het de vraag of het de enige oplossing is.

De tekst van de brochure 'De Marine in beeld" is in strijd met artikel 3, lid 2, van de Wet Gelijke Behandeling van Mannen en Vrouwen. Immers, daar waar vrouwen voor bepaalde functies van marine-onderdelen worden uitgesloten, wordt in deze brochure

niet vermeld op welke grond deze functies bij het Korps Mariniers geslachtsbepaald zouden zijn. De enkele verwijzing in de brochure naar operationele eenheden is voor leken overigens niet begrijpelijk. Hoewel de brochure niet over specifieke vacatures gaat en in die zin niet letterlijk de aanbieding van een betrekking betreft, wordt de brochure wel gebruikt om mensen

te interesseren voor een functie bij de marine en vormt dus

een onderdeel van de werving van marinepersoneel.

3.5.De wederpartij heeft haar standpunt als volgt uiteengezet.

Hoewel het Ministerie ernaar streeft, zoals ook in de beleidsbrief 'Emancipatie Defensie' van 25 juni 1997 (Kamerstuk 1996-1997, 25436, nr. 1) uiteengezet, met een scala van maatregelen meer vrouwen in haar organisatie op te nemen, blijft onverlet, dat vrouwen zijn uitgesloten voor functies bij de onderzeedienst en het Korps Mariniers. Dit beleid is niet in strijd met het Besluit Beroepsactiviteiten en daarmee ook niet

in strijd met de WGB.

Ingevolge het bepaalde bij artikel 5 derde lid, van de WGB juncto artikel 1 onder i van het Besluit Beroepsactiviteiten is de Minister van Defensie bevoegd bepaalde beroepsactiviteiten bij

de krijgsmacht aan te wijzen waarvoor het geslacht bepalend is.

De Nota van Toelichting geeft met betrekking tot deze bepaling aan dat op dit punt kan worden gedacht aan beroepsactiviteiten welke worden vervuld door militairen bij het Korps Mariniers en aan boord van onderzeeboten van de Koninklijke Marine. Sinds het bestaan van het Besluit Beroepsactiviteiten is het beleid van het Ministerie dat functies bij deze twee onderdelen uitsluitend voor mannen open staan. Dit beleid blijkt uit de nota's 'Plan voor positieve actie voor de integratie van de vrouw in de krijgsmacht uit 1989 (Kamerstuk 1988-1989 20.800 nr. 34) en de beleidsbrief 'Emancipatie Defensie' van de Staatssecretaris van Defensie van

25 juni 1997. Deze nota's zijn door de Tweede Kamer goedgekeurd. Voor zover er nog geen formeel aanwijzingsbesluit van de Minister als bedoeld in artikel 1 onder i bestaat, voldoet het beleid wel materieel aan de WGB en het Besluit.

Op grond van het VN-vrouwenverdrag dient de Staten-Partij onder meer de mensenrechten, als in het verdrag vervat, te beschermen en te garanderen voor vrouwen. Deze algemene verplichting sluit niet uit dat in de vertaling naar nationale wet- en regelgeving ter uitvoering van het verdrag uitzonderingen kunnen worden gemaakt. Deze uitzonderingen dienen beperkt te zijn en met duidelijke en objectieve redenen onderbouwd te worden.

Dergelijke uitzonderingen mogen niet tot gevolg hebben dat vrouwen effectief van bedoelde mensenrechten worden uitgesloten.

Bij de gemaakte uitzonderingen is geen sprake van een fundamentele aantasting van de mensenrechten en schending

van bedoeld verdrag.

Er is geen aanleiding om het beleid te wijzigen, reeds omdat er zoveel praktische beperkingen zijn om vrouwen ook daadwerkelijk te kunnen toelaten, dat geen of hooguit een uiterst miniem aantal vrouwen in genoemde functiegebieden zouden binnenstromen.

Het Korps Mariniers bestaat uit ongeveer 3000 manschappen

en heeft uitsluitend gevechtsfuncties. Het Korps opereert

met kleine gevechtseenheden in de voorste linies.

Een rekruut bij het Korps Mariniers wordt opgeleid als marinier algemeen, zodat betrokkene meerdere functies binnen het Korps

kan vervullen.

De operationele inzet van het Korps Mariniers stelt zeer zware eisen aan de fysieke vermogens van kandidaten. De kans dat vrouwen voldoen aan de gestelde fysieke eisen is zo klein dat slechts een zeer gering aantal vrouwen door de selectie zou komen. Dat wordt overigens bevestigd bij de keuring van vrouwen voor andere fysiek zware functies binnen de krijgsmacht. Bij de selectie voor bijvoorbeeld het Korps Commando Troepen, dat te vergelijken is met het Korps Mariniers, komen vrouwen niet door de selectie. Het functioneren van een zeer gering aantal vrouwen binnen een eenheid, in combinatie met het feit dat bij de operationele omstandigheden waarin het Korps functioneert elke vorm van privacy ontbreekt, kan leiden tot grote spanningen hetgeen de operationele inzet kan verstoren. Met name de operaties bij extreme omstandigheden als jungle- of arctische trainingen geven in dat opzicht problemen. Het voorzien in gescheiden slaapruimten en sanitaire voorzieningen is onmogelijk. Men werkt in een zogenaamd buddy-systeem. Dit zijn duo's die steeds gezamenlijk opereren en die voortdurend verantwoordelijk zijn voor elkaars wel en wee. Concreet betekent het dat men elkaars lichamen controleert tot zelfs in de kleinste details.

In arctische omstandigheden wordt men ook gecontroleerd bij het urineren als onderdeel van de dagelijkse routine. Het spreekt voor zich dat bij eventuele uitval de buddy-taken door collega's moeten kunnen worden overgenomen. Deelname van vrouwen zou dus noodzaken tot deelname van substantiële aantallen vrouwen. Dat is gezien de fysieke eisen onmogelijk. Bovendien is het man/vrouw-contact binnen de gevechtseenheden van het Korps Mariniers vanwege de operationele inzetbaarheid ongewenst.

In Israël bleek tijdens de Jom Kipoer-oorlog in 1973 dat de operationele inzetbaarheid van gemengde eenheden minder was.

Ook in andere landen zijn bij vergelijkbare onderdelen met gevechtseenheden die in de eerste linies opereren, geen

vrouwen ingedeeld.

Bij het Korps Mariniers zijn uitsluitend gevechtsfuncties.

Bij de betreffende eenheden van het Korps functioneren op afstand ook ondersteunende eenheden, maar die vallen onder het zogenoemde vlootpersoneel van de Marine. Bij die ondersteunende eenheden zijn wel vrouwen toegelaten. De enige functies bij het Korps Mariniers die geen gevechtsfuncties betreffen zijn die bij de Marinierskapel. Deze functies zijn ook voor vrouwen beschikbaar.

Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJEG) van 26 oktober 1999 in de zaak

C-273/97 (A.M. Sirdar vs. The Army Board, Secretary State for Defence) kan worden geconcludeerd dat ook wat betreft het Korps Mariniers vrouwen volgens het communautaire recht mogen worden uitgesloten. Immers, het arrest heeft betrekking op de toetreding van vrouwen bij de Royal Marines van het Verenigd Koninkrijk.

De Royal Marines opereren net als het Korps Mariniers in kleine eenheden en in de voorste linies.

Bij de Onderzeedienst kan vanwege het gebrek aan privacy in combinatie met het feit dat men gedurende lange tijd in een kleine ruimte moet verblijven, de operationele inzetbaarheid

in gevaar komen. Een kleine onderzeeboot van de Walrus-klasse heeft een zeer beperkt oppervlak waar dag en nacht moet worden samengewerkt en geleefd. Daarbij verblijft de betreffende eenheid van in totaal 55 manschappen veelal langdurig op zee, dat wil zeggen gemiddeld zo'n zeven weken achtereen. Juist onder dergelijke omstandigheden dienen er voor een gemengde bemanning gescheiden slaapverblijven, douche-, was- en toiletfaciliteiten te zijn. Dit is echter gezien de beschikbare ruimte niet mogelijk. Gescheiden voorzieningen zouden alleen met zeer grote investeringskosten te realiseren zijn. Thans bevinden zich in

de onderzeeboot van de Walrus-klasse twee slaapruimten, twee grote wasruimten met grote bakken, drie toiletten en drie

niet-afgeschermde douches. Al deze ruimten zijn alleen via de gemeenschappelijke ruimten te bereiken.

Voor de Koninklijke Marine zou het aanbrengen van de noodzakelijke aanpassingen aan boord van een of meer van de huidige generatie onderzeeboten, in samenhang met het opleiden

en opgeleid houden van een toereikend aantal geschikte vrouwelijk militairen ernstige belemmeringen opleveren.

Niet alleen zijn de nodige technische aanpassingen slechts tegen zeer aanzienlijke kosten te realiseren, maar dienen de getroffen voorzieningen, zoals met name slaapruimten, ook volledig door vrouwen te worden gevuld. Immers, door de toelating van vrouwen tot de Onderzeedienst moet ook een aanzienlijk aantal opgeleide vrouwen aan de wal verblijven om eventueel een vrouw op een onderzeeboot die uitvalt te kunnen vervangen. Niet is zeker dat daaraan kan worden voldaan.

Ten slotte kunnen de aanpassingen alleen worden aangebracht bij de onderhoudsbeurten van de onderzeeboten. Dat betekent dat deze aanpassingen, gelet op het totale aantal van vier onderzeeboten, die de marine heeft, en de omstandigheid dat deze onderzeeboten in totaal de helft van een jaar varen, geen reële optie zijn.

In de brochure 'De Marine in beeld' wordt inderdaad kort verwoord dat het Korps Mariniers gezien de specifieke eisen alleen toegankelijk is voor mannen. Zoals reeds in de brief van

22 december 1998 aan het Anti-Discriminatie Bureau Zaanstreek

is aangegeven bevat de brochure slechts een beknopte hoeveelheid informatie.

In de brochure worden adressen genoemd waar nog meer informatie kan worden verkregen. Het opnemen van een bredere uitleg in bedoelde brochure zou gezien de beperkte opzet van dergelijke wervingsbrochure te ver voeren.

4.DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1.In het geding is de vraag of de wederpartij bij het wervings-

en selectiebeleid voor functies aan boord van de onderzeeboten

en het Korps Mariniers onderscheid naar geslacht maakt als bedoeld in de WGB.

4.2.In dit verband zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

Op grond van artikel 3 lid 1 WGB is het niet toegelaten om bij de aanbieding van een betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

Ingevolge het bepaalde bij artikel 3 lid 2 WGB mag hiervan worden afgeweken in gevallen waarin ingevolge deze of enige andere wet bij het aanbieden van een betrekking onderscheid tussen mannen

en vrouwen mag worden gemaakt en, voor zover het betreft een openlijke aanbieding van een betrekking, de grond voor dat onderscheid daarbij uitdrukkelijk wordt vermeld.

In artikel 5 lid 2 WGB wordt een uitzonderingsgrond op

artikel 3 WGB genoemd: bij de toegang tot beroepsactiviteiten

mag onderscheid tussen mannen en vrouwen worden gemaakt in gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening van de beroepsactiviteit het geslacht bepalend is.

Aan deze uitzondering is nadere uitwerking gegeven in artikel 5 lid 3 en het daarop gebaseerde Besluit inzake beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn (Stb. 1989, 207;

hierna: het Besluit).

Ingevolge het bepaalde bij artikel 1 onder i van voormeld Besluit wijst de Minister van Defensie de beroepsactiviteiten bij de Krijgsmacht aan, waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening van de beroepsactiviteit het geslacht bepalend is.

4.3.Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de Commissie als volgt.

Artikel 12 lid 2 sub e AWGB bepaalt onder meer dat een schriftelijk verzoek aan de Commissie kan worden ingediend

door een stichting die in overeenstemming met haar statuten

de belangen behartigt van diegenen in wier bescherming de AWGB beoogt te voorzien.

Uit de feitelijke werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij

in overeenstemming met haar statuten belangen behartigt van degenen, die de AWGB, de WGB en artikel 7:646 Burgerlijk Wetboek (BW) beogen te beschermen. Hiermee voldoet verzoekster aan de ontvankelijkheidsvereisten zoals gesteld in artikel 12

lid 2 sub e AWGB.

Ten aanzien van de onder 4.1. geformuleerde rechtsvraag overweegt de Commissie het volgende.

4.4.Verzoekster betoogt primair dat de wederpartij niet in een daartoe genomen schriftelijk besluit de twee desbetreffende onderdelen heeft aangewezen als beroepsactiviteiten die geslachtsbepaald zijn en dus reeds hierom in strijd met de

WGB heeft gehandeld.

De Commissie stelt vast dat in het 'Plan voor positieve

actie voor de integratie van de vrouw in de krijgsmacht' van februari 1989 (TK 1988-1989, 20800 hfdst X) functies bij het Korps Mariniers en aan boord van onderzeeboten kennelijk als beroepsactiviteiten in de zin van artikel 1 onder i van het Besluit worden beschouwd.

De Commissie stelt vast dat zulks evenzeer blijkt uit de beleidsbrief 'Emancipatie Defensie' van 25 juni 1997 van

de Staatssecretaris van Defensie gericht aan de Voorzitters

van respectievelijk de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.

De Commissie stelt vast dat de Tweede Kamer kennis heeft kunnen nemen van het beleid van de wederpartij en daarmee kennelijk heeft ingestemd. De wederpartij heeft immers gesteld en zulks

is niet door verzoekster weersproken dat de Tweede Kamer dit beleid heeft besproken en goedgekeurd.

Een en ander houdt in dat de betreffende bewindspersonen

in ieder geval in openbare beleidsstukken hebben aangegeven

welke Krijgsmachtsfuncties volgens hen tot de uitzondering van artikel 1 onder i van het Besluit gerekend dienen te worden.

Noch het Besluit noch de toelichting hierop stellen formele vereisten waaraan de ministeriële aanwijzing zou dienen te voldoen. Evenmin blijkt uit deze en andere rechtsregels dat

een dergelijke aanwijzing uitsluitend in een expliciete

schriftelijke vorm kan plaatsvinden. De Commissie deelt derhalve niet het standpunt van verzoekster dat reeds het enkele ontbreken van een expliciet schriftelijk besluit tot de conclusie dient

te leiden dat in strijd met de gelijke behandelingsvoorschriften is gehandeld.

4.5.Ten aanzien van het wervings- en selectiebeleid van de wederpartij, overweegt de Commissie voorts als volgt.

Met artikel 5, tweede en derde lid, van de WGB, alsmede het Besluit is uitvoering gegeven aan met name artikel 2, tweede

lid, in samenhang met artikel 9 van de Richtlijn van de Europese Commissie van 9 februari 1976 (76/207/EEG) betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling

van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en

ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (hierna: Richtlijn 76/207/EEG).1

Artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 76/207/EEG geeft Lid-Staten de bevoegdheid om beroepsactiviteiten, waarvoor het geslacht een bepalende factor is, uit te sluiten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Op grond van artikel 9, tweede lid, van Richtlijn 76/207/EEG onderzoeken Lid-Staten op gezette tijden de in artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn bedoelde beroepsactiviteiten om na te gaan of het gezien de sociale ontwikkeling nog gerechtvaardigd is de desbetreffende uitzonderingen te handhaven.

De uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 1

onder i van het Besluit dient dus mede in het licht van voormelde bepalingen van de Richtlijn 76/207/EEG en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het HvJEG) te worden beoordeeld.

Uit het arrest van het HvJEG van 15 mei 1986 in zaak C-222/84

(M. Johnson vs Chief Constable of the Royal Ulster Constabulary) blijkt dat artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 76/207/EEG strikt moet worden uitgelegd en met inachtneming van het evenredigheids-beginsel moet worden toegepast.

Voorts vloeit uit het arrest van 26 oktober 1999 in zaak C-273/97

(A.M. Sirdar vs The Army Board, Secretary of State for Defence) voort dat bij de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2, tweede lid van Richtlijn 76/207/EEG dient te worden nagegaan, of in de omstandigheden van het onderhavige geval de maatregelen die door de nationale autoriteiten in de uitoefening van de hun toegekende beoordelingsmarge zijn vastgesteld, werkelijk gericht zijn op het doel van de openbare veiligheid,

en of zij passend en noodzakelijk zijn ter verwezenlijking

van dat doel.

Het HvJEG heeft in voormeld arrest van 26 oktober 1999 voorts onder meer voor recht verklaard dat de uitsluiting van vrouwen uit commando-eenheden als de Royal Marines wegens de aard van

de activiteiten en de voorwaarden waaronder deze worden verricht, gerechtvaardigd is. Het HvJEG heeft in overweging 29 e.v. van dat arrest in het bijzonder de omstandigheden genoemd die de algehele uitsluiting van vrouwen bij de Royal Marines rechtvaardigen. Daarbij heeft het HvJEG vermeld dat de organisatie van de Royal Marines anders is dan die van andere onderdelen van de Britse krijgsmacht, dat de gevechtseenheden van de Royal Marines opereren in de voorste linies en dat voor dit legeronderdeel de interoperabiliteitsregel geldt. Blijkens dit arrest wordt onder de operabiliteitsregel verstaan dat ter verzekering van de gevechtskracht van de Royal Marines alle manschappen worden aangenomen en opgeleid om als commando onder de specifieke voorwaarden waaronder de aanvalsteams van de Royal Marines

in de voorste linies opereren, te kunnen functioneren.

Gelet op het vorenstaande dient volgens de Commissie te worden beoordeeld of de wederpartij, gelet op de organisatie, de

wijze van opereren en de operationele inzetbaarheid van de desbetreffende onderdelen, in redelijkheid tot het standpunt heeft kunnen komen dat de beroepsactiviteiten aan boord van onderzeeboten en het Korps Mariniers geslachtsbepaald zijn.

4.6.Ten aanzien van de uitsluiting van vrouwen voor functies bij

het Korps Mariniers overweegt de Commissie het volgende.

De Commissie stelt vast dat het Korps Mariniers uitsluitend gevechtsfuncties heeft en opereert in kleine gevechtseenheden, die in de voorste linies worden ingezet. Een rekruut wordt voor vier jaar opgeleid als marinier algemeen, zodat hij meerdere functies binnen het Korps Mariniers kan vervullen. Gelet op de operationele inzet van het Korps worden aan kandidaten zware fysieke en psychische eisen gesteld. Zoals bij andere onderdelen van de krijgsmacht voor vergelijkbare functies is gebleken, kunnen slechts weinig vrouwen aan deze selectie-eisen voldoen.

De wederpartij heeft naar het oordeel van de Commissie deze stellingname voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt.

Een geringe toetreding van vrouwen tot het Korps Mariniers betekent evenwel dat geen of onvoldoende eenheden kunnen worden geformeerd die louter uit vrouwen bestaan. Met name bij uitval van vrouwen zouden vrouwen samen met mannen in een gevechtseenheid moeten functioneren. Dit functioneren gaat (zoals eerder beschreven) evenwel gepaard met fysieke intimiteit en lichamelijke contacten.

De Commissie onderschrijft het standpunt van de wederpartij dat deze omstandigheden bij gemengde eenheden -anders dan bij een uitsluitend mannelijke bezetting- een toename van functioneringsproblemen tot gevolg kunnen hebben. In die zin

kan het toelaten van vrouwen bij het Korps tot verstoring van

de operationele inzetbaarheid van eenheden leiden.

Daarnaast heeft de wederpartij zich ter zitting beroepen op

de vergelijkbaarheid van de Royal Marines van het Verenigd Koninkrijk en het Korps Mariniers. De organisatie, de wijze van opereren en de operationele inzetbaarheid van beide onderdelen zijn hetzelfde. De Commissie acht dit alleszins aannemelijk.

Met de wederpartij is de Commissie derhalve van mening dat het standpunt van het HvJEG in de zaak C-273/97 wat uitsluiting van vrouwen betreft ook voor het Korps Mariniers van toepassing is.

4.7.Ten aanzien van de uitsluiting van vrouwen van functies aan

boord van de onderzeeboten overweegt de Commissie als volgt.

De Commissie stelt vast dat de onderzeedienst van de Marine

in totaal vier onderzeeboten van de Walrus-klasse heeft.

Voorts stelt de Commissie het volgende vast. Een onderzeeboot

van de Walrus-klasse heeft een zeer beperkt oppervlak waar dag

en nacht moet worden gewerkt en geleefd. Aan boord van een onderzeeboot opereert een bemanning van 55 manschappen.

De twee slaapverblijven en sanitaire voorzieningen, dat wil zeggen de twee wasruimten, drie toiletten en de drie niet-afgeschermde douches, zijn alleen te bereiken via de gemeenschappelijke ruimten van de onderzeeboot.

Een onderzeeboot is ongeveer de helft van de tijd op zee en

maakt reizen die gemiddeld zeven weken duren.

Hier geldt evenzeer, zij het vanwege het volslagen gebrek aan privacy, dat bij een gemengde bemanning tijdens de operaties lichamelijke contacten tussen vrouwen en mannen kunnen plaatsvinden.

Mede gelet op de langdurigheid van deze situatie onderschrijft de Commissie het standpunt van de wederpartij dat dergelijke nadelen het functioneren niet ten goede komen en dat deze ook belemmerend kunnen werken wat de operationele inzetbaarheid betreft.

Aanpassing van de huidige boten met gescheiden voorzieningen

voor mannen en vrouwen vergt niet alleen een grote investering maar tast bovendien de operationele inzetbaarheid van de boten langdurig aan, zodat een dergelijke ingreep op dit moment

redelijkerwijs niet van de wederpartij gevergd kan worden.

Niet overtuigend acht de Commissie het argument van de

wederpartij dat het niet zeker is dat er voldoende vrouwen geworven kunnen worden om ook aan de wal genoeg gekwalificeerde vrouwen te hebben die het vrouwelijk bemanningsdeel kunnen vervangen als dat nodig mocht zijn. Het is voor de wederpartij weliswaar van belang dat een onderzeeboot volledig wordt bezet, zodat in geval van gescheiden voorzieningen vrouwen door vrouwen en mannen door mannen dienen te worden vervangen, maar de betreffende veronderstelling mist feitelijke onderbouwing.

De Commissie kan zodoende de redelijkheid van dit argument voorshands niet onderkennen. Dat neemt niet weg dat de eerdere argumenten het beleid van de wederpartij afdoende motiveren, zodat het beleid op redelijke gronden berust.

4.8.Gelet op het vorenstaande is de Commissie van oordeel dat de wederpartij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de aard en de voorwaarden waaronder de activiteiten worden verricht, de beroepsactiviteiten aan boord van onderzeeboten en bij het Korps Mariniers geslachtsbepaald zijn en derhalve als beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend is, dienen te worden beschouwd in de zin van artikel 5, lid 3, en artikel 1 onder i van het Besluit. Daarbij overweegt

de Commissie dat de functies aan boord van onderzeeboten in het licht van artikel 9, tweede lid, van Richtlijn 76/207/EEG bij

een nieuwe generatie onderzeeboten mogelijk niet meer als geslachtsbepaald kunnen worden aangemerkt, indien, zoals door

de wederpartij is aangegeven, reeds bij de bouw rekening wordt gehouden met gescheiden (sanitaire) voorzieningen voor mannen

en vrouwen.

4.9.De Commissie acht de interpretatie die de wederpartij aan artikel 5 lid 3 WGB en artikel 1 onder i van het Besluit heeft gegeven, eveneens in overeenstemming met de betekenis van artikel 11 lid 1 aanhef en onder a, b en c van het VN-Vrouwenverdrag.

Deze bepaling van het VN-Vrouwenverdrag verplicht de bij dit verdrag betrokken lidstaten tot het nemen van passende maatregelen ter uitbanning van discriminatie van vrouwen in het arbeidsproces, ten einde vrouwen dezelfde rechten te verzekeren in het bijzonder het recht op arbeid, het recht op dezelfde arbeidsmogelijkheden en het recht op vrije keuze van beroep

en werk.

De Commissie is van oordeel dat deze bepaling de lidstaten niet verplicht onder alle omstandigheden vrouwen of mannen dezelfde rechten op arbeid te verzekeren.

De argumenten van verzoekster met betrekking tot het

VN-vrouwenverdrag kunnen naar het oordeel van de Commissie

dus geen doel treffen.

4.10.De Commissie stelt vast dat de wederpartij de functies bij de desbetreffende krijgsmacht-onderdelen als beroepsactiviteiten heeft aangewezen op grond van zijn bevoegdheid, als bedoeld

in artikel 1 onder i van het Besluit.

De jurisprudentie van de Commissie alsmede de Nota van Toelichting bij het Besluit Beroepsactiviteiten waaraan verzoekster refereert, betreffen evenwel een uitleg van

artikel 1 onder a van het Besluit, waarbij beroepsactiviteiten als geslachtsbepaald worden beschouwd die om lichamelijke redenen uitsluitend door personen van een bepaald geslacht vervuld kunnen worden. Daargelaten de vraag of de desbetreffende functies in kwestie kunnen worden aangemerkt als functies in de zin van artikel 1 onder a van het Besluit, overweegt de Commissie dat de wederpartij alleen voor functies bij het Korps Mariniers uitgaat van de stellingname dat slechts een gering aantal vrouwen zou kunnen voldoen aan de zware fysieke en psychische selectie-eisen. Voorts stelt de Commissie vast dat voor de wederpartij niet doorslaggevend is dat vrouwen deze functies vanwege hun fysieke gesteldheid niet zouden kunnen uitoefenen, maar dat vrouwen vanwege de geringe toetreding van vrouwen in gemengde eenheden zouden moeten opereren.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de Commissie het betoog van verzoekster dat lichaamskracht en uithoudingsvermogen in het beleid van de wederpartij niet als criterium mogen gelden, niet slagen.

Vorenstaande gronden leiden tot de conclusie dat de wederpartij niet in strijd heeft gehandeld met artikel 3, lid 1, van de WGB.

4.11.Ten aanzien van de brochure "De Marine in beeld" overweegt de Commissie het volgende.

Vaststaat dat in de brochure wordt vermeld dat het Korps Mariniers gezien de specifieke eisen alleen toegankelijk is

voor mannen, alsmede welke taken die het Korps Mariniers binnen de krijgsmacht heeft.

Daargelaten de vraag of de brochure moet worden aangemerkt

als het openlijk aanbieden van een betrekking in de zin van

artikel 3 lid 2 WGB, is de Commissie van oordeel dat in de brochure, zij het beknopt en in algemene bewoordingen, voldoende wordt aangegeven waarom vrouwen zijn uitgesloten van de beroepsactiviteiten bij het Korps Mariniers. Dat betekent dat

de wederpartij niet heeft gehandeld in strijd met artikel 3,

lid 2 WGB.

5.HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit

dat de Minister van Defensie te 's-Gravenhage:

-geen onderscheid op grond van geslacht maakt zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij het wervings- en selectiebeleid door vrouwen uit te sluiten voor functies bij de onderzeebootdienst en het Korps Mariniers;

-geen onderscheid op grond van geslacht maakt zoals bedoeld

in artikel 3, lid 2, van de Wet gelijke behandeling mannen

en vrouwen door in de brochure 'De Marine in beeld'

in beknopte en algemene bewoordingen de redenen te vermelden op grond waarvan het Korps Mariniers alleen voor mannen toegankelijk is.

Aldus vastgesteld op 30 juni 2000.

mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang Youmr. D.O. Pechler

Kamervoorzittersecretaris Kamer

OORDEEL 2000-38

1 Publikatieblad nr. L 39, 14 februari 1976, blz 40.

""

Grond:

Terrein:

Trefwoord:

Wetsartikel