Publicaties

2002/03: Advies inzake evaluatie regelgeving geslachtsbepaalde beroepsactiviteiten

Samenvatting

Ingevolge EG-richtlijn nr. 76/207 mogen EG-lidstaten  uitzonderingen maken op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij ‘beroepsactiviteiten (. . .) en de hiervoor noodzakelijke opleidingen, waarvoor vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan, het geslacht een bepalende factor is’.

 

Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door middel van artikel 5, derde lid, Wet gelijke behandeling (‘WGB’) en het Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn (‘Besluit Beroepsactiviteiten’). De in deze bepalingen opgenomen uitzonderingen moeten op gezette tijden geëvalueerd worden ‘om na te gaan of het gezien de sociale ontwikkeling gerechtvaardigd is de desbetreffende uitzonderingen te handhaven’ (artikel 9, tweede lid, EG-richtlijn nr. 76/207).

 

In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in dit kader door de Katholieke Universiteit Nijmegen een onderzoek1 uitgevoerd dat antwoord beoogt te geven op de volgende door het ministerie geformuleerde vragen:

  • Is het gezien de sociale en maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder het tot stand kome van het verbod op onderscheid naar ras, gerechtvaardigd de uitzonderingen op het recht op gelijke behandeling te handhaven, zoals deze genoemd zijn in artikel 5, derde lid, WGB en het Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn?

  • Welke aanpassingen/toevoegingen zouden overwogen moeten worden op basis van sociale en maatschappelijke ontwikkelingen?

 

Als orgaan belast met de handhaving en de naleving van de WGB en het Besluit Beroepsactiviteiten acht de Commissie het van belang om naast de bevindingen van de Nijmeegse onderzoeksgroep, vanuit haar ervaring en expertise advies uit te brengen aan de Staatssecretaris omtrent de wenselijkheid van het handhaven van de in artikel 5, derde lid, WGB en het Besluit beroepsactiviteiten genoemde uitzonderingen. In dit advies wordt de nadruk gelegd op eventuele knelpunten die in de praktijk van de Commissie bij de handhaving en naleving van de uitzonderingen zijn geconstateerd gedurende de periode 1994 tot medio 2002. Hierbij zijn voorzover relevant de opmerkingen en aanbevelingen van de Nijmeegse onderzoekers meegenomen.