Maak kennis met Adriana van Dooijeweert

Maak kennis met Adriana van Dooijeweert

Adriana van Dooijeweert is sinds september 2015 voorzitter voor het College voor de Rechten van de Mens. Hiervoor was zij voorzitter van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken. Daarnaast is zij bijna dertig jaar werkzaam geweest als rechter in verschillende sectoren van de rechtbanken in den Bosch en den Haag.

De keuze voor het recht was toen zij tiener was niet haar eerste keuze. Als het aan Adriana lag, was ze naar de toneelschool gegaan.  “Ik wilde de nieuwe Jasperina de Jong worden. Ik deed en doe nog steeds aan cabaret en schrijf zelf teksten.” Haar vader waarschuwde haar “Jij wil de top bereiken en dat kan, maar je kan ook een middelmatige actrice of zangeres worden. Dan word je niet gelukkig. ” Het werd dus toch de rechtenstudie, waarbij het publieke recht en de verhouding tussen burger en overheid, haar specifieke aandacht had.

Na een aantal jaren te hebben gewerkt bij een juridische uitgeverij en daarna bij de raad van State, werd zij in 1987 rechter. “Er zijn verschillende soorten rechters: je hebt rechters die niets liever doen dan achter hun bureau zitten met een dik en ingewikkeld dossier. Ze schrijven hun  vonnis liefst helemaal zelf, met de gedachte: ‘ als dat voor de Hoge raad komt, houdt dat wel stand’.  Ik ben meer een actieve zittingsrechter: ik geniet enorm van de zitting zelf. Het contact leggen met een verdachte in een strafzaak, het dossier opzij leggen en iemand bevragen.”

Als rechter behandelde Van Dooijeweert allerlei zaken. Een aantal jaren was zij vooral bezig met vreemdelingenrecht. Ook deed ze zaken rondom  gedwongen opnames van psychiatrische patiënten. De machtiging voor zo’n gedwongen opname  moet van tijd tot tijd opnieuw door de rechter  bekeken worden en dat kan niet in de zittingszaal.  “Ik heb meegemaakt dat iemand compleet psychotisch in een isoleercel zat en mij voor van alles en nog wat uitmaakte en wegstuurde. Daar moet je als rechter mee om kunnen gaan.”

 “De onderwerpen die ik nu bij het College behandel hebben niet perse die rauwheid en de heftigheid van strafrecht, maar ook hier worden zaken besproken die mensen diep raken. Bijvoorbeeld zaken over zwangerschapsdiscriminatie. Die roepen bij een vrouw vragen op als ‘doe ik er wel toe?’. Het gaat ook hier in de zittingen om grote emotionele belangen.  Ik vind het heel boeiend om bij het College mijn rechtelijke vaardigheden op een ander gebied in de praktijk te brengen.”Bij het College haalt Adriana veel voldoening uit het samen bezig zijn met hetzelfde doel: de promotie van mensenrechten in Nederland. Mensenrechten gaan niet alleen over de situatie in China of Turkije. “Hoe zit het met de menswaardigheid van iemand die oud en ziek is in Nederland? Iemand die niet meer mag beslissen waar hij verblijft of hoe laat het licht uitgaat. Iemand die niets te zeggen heeft over wanneer het ontbijt komt.  Nadenken over ‘wat zal ik vandaag eens aandoen’ is er niet bij, want ook dat wordt voor je beslist. De verzorging komt zonder kloppen en gehaast binnen, want er moeten nog zes mensen onder de douche.  Dan kan je zeggen ‘ik heb het gevoel dat ik in mijn menselijke waardigheid word aangetast . Nou ben ik niet meer ik.’ Ook hier zijn mensenrechten in het geding. Wanneer verzorgenden dat beseffen, gaan zij op een heel andere manier over hun werk denken. Dan gaan ze veel meer beseffen dat wat zij doen niet alleen mevrouw Janssen onder de douche zetten is. Nee, wat zij doen is mensenrechten toepassen en bewaken.

“Een van de doelen van het College is dat in de Nederlandse politiek en bij het tot stand komen van beleid, mensenrechten als toetsingskader worden gebruikt. We zijn een ontwikkeld land met een geschiedenis van het beschermen van minderheden, het opkomen voor kwetsbare groepen. Nederland moet zich realiseren dat bij al het beleid mensenrechten spelen. Dat daar een bodem is waar mensen niet doorheen mogen zakken.”Adriana heeft wel idealen, maar wil geen activist zijn. “Ik ben iemand die vanuit mijn rechterlijke ervaring wil werken. Ik wil bij de realiteit blijven. Ik vind dat het College daar een goed midden in probeert te zoeken door wel duidelijk te zijn en te zeggen ‘dat  moet anders’, maar ook over alternatieven mee te denken. Ik ben niet iemand die tegen windmolens of tegen de bierkaai wil vechten.”